De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Dat zijn de Friezen > De kantindustrie in Tønder

De kantindustrie in Tønder

Niet alle jonge vrouwen hadden natuurlijk het geluk boerin, of zeemansvrouw te worden. Zij konden dan echter, zoals gezegd, wel met kantklossen bijdragen in het onderhoud van het gezin.

De kantindustrie werd één van de echt grote bedrijfstakken in West-Sleeswijk, vooral in de omgeving van Tønder. Hoe de kantkloskunst naar Tønder en West-Sleeswijk is gekomen, kan niet met zekerheid worden gezegd. Het is echter zo goed als zeker dat Vlaanderen (Brabant) het moederland was voor de Tønderse kantindustrie, die deskundigen gemakkelijk herkennen aan de ene dikke draad die tussen de vele dunne en fijne draden is gevlochten.

De eerste berichten over het kantklossen in Tønder stammen van 1596. Kirstine Svendsdochter van Østerby, die in 1639 de eerste gouden hoorn bij Gallehus, in de buurt van Møgeltønder vond, was een kantklosster, die op weg was naar Tønder om daar haar fijne kant af te leveren.

Koning Christian de Vierde was een groot liefhebber van kant en het fijne kantwerk waarmee zijn kleren waren versierd, was nagenoeg allemaal kantwerk uit Tønder.

Bij verordening van 16 mei 1647 werd de invoer van buitenlandse kant verboden en de regering was er erg alert op dat geen kantklosster het land verliet en daarmee de winstgevende kunst naar andere landen verspreidde.

Tegen het eind van de 17e Eeuw nam de kantindustrie een zo grote vlucht dat zij het hele economische leven ten noorden van Tønder overheerste. Rond het midden van de eeuw waren er 25 kanthandelaren in Tønder. Zij bezorgden vele duizenden vrouwen werk. Geschat wordt dat er op een bepaald tijdstip 10- tot 12.000 arbeidsplaatsen mee waren gemoeid. Het exacte aantal is niet bekend, omdat alleen de ongetrouwde vrouwen werden meegeteld.

De meisjes werkten voor een gering loon, óf in speciale kantklosateliers, óf als huisnijverheid. De kantfabrikanten leverden hen draad en patronen. Zij verkochten daarna hun waren door aan grossiers en marskramers.

In 1805 kwam de verkoop van kant uit Tønder naar het buitenland boven het enorme bedrag van 260.000 rijksdaalders, wat vandaag de dag ongeveer 7 miljoen Euro zou betekenen. De vele rijk versierde gevelhuizen met de kunstzinnige ingangsportalen in de hoofdstraat van Tønder tonen aan dat de kanthandelaren erg rijk zijn geworden.

De vrouwen droegen dus voor een wezenlijk deel bij aan het onderhoud van het gezin. De Friese vrouwen worden geëerd met een standbeeld van Trine, een trotse Friese vissersvrouw met een roeispaan in de hand, die op een hoge sokkel op het marktplein in Husum staat.