De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Dat zijn de Friezen > Het bestaan een onzekere onderneming

Het bestaan een onzekere onderneming

Men kan zich veel voorstellingen maken over de vraag, wat de uitwerking is op mensen, wanneer ze onophoudelijk in het grensgebied van leven en dood aan de barse willekeur van de natuur worden blootgesteld.

Dat drukt onherroepelijk een stempel op hun geest en hun levensbeschouwing. Die situatie en belevenissen hebben ongetwijfeld bijzondere karaktertrekken ontwikkeld bij de mensen in de omgeving van West-Sleeswijk, waarvan velen tot de Friezen behoorden.

Een dergelijke karaktertrek kan oplettendheid en waakzaamheid ten aanzien van mogelijke en denkbare ongelukken in alle situaties zijn, een voortdurende onzekerheid over een onbekende toekomst, of een bedachtzame overtuiging dat het menselijk bestaan een serieuze zaak is. Misschien ook is het koppigheid of een religieus bewustzijn, dan wel een zeker geloof in de noodzaak van een bepaalde -misschien wel pedante- toekomstvisie, om te kunnen overleven. Voor vrolijkheid is daarbij zelden plaats.

Het is echter onmogelijk voortdurend in angst te leven. De natuurlijke menselijke overlevingsdrang zorgt er wel voor dat dat niet gebeurt. Strijd en tegenslag leiden ook tot kracht, hardnekkigheid en wilskracht. Daarbij wordt het gevoel van eigenwaarde versterkt wanneer men er achter komt dat, ook al kan het leven moeilijk zijn, men door eigen toedoen goed in staat is de ergste gevolgen te keren.

Men kan er trots op zijn dat het vaak met vlijt en kundigheid gelukt is de strijd tegen de elementen te winnen. Met het bouwen van dijken en afwatering werd het mogelijk het water te temmen, dreigende verwoestingen te voorkomen en verloren land terug te winnen.

Het harde werken en hun ontembare vlijt bracht de Friezen vaak welvaart. Bij een zwaar leven vol gevaren worden volop ervaring en gevoel voor eigen-
waarde opgebouwd. Ze zijn gedwongen geweest al hun krachten en vermogens te richten op de oplossing van de problemen van dat moment. Misschien wierpen die problemen hun schaduw wel vooruit, waar het ging om grotere nationale belangen, of andere belangen van de samenleving.

Van de bevolking van West-Sleeswijk kan men met recht staande houden dat zij hun land hebben geschapen en bewaakt. Ze hebben daarvoor in de loop van de geschiedenis gestreden tegen de onbarmhartige natuur, de verwoestingen door de zee en de beruchte rovers, die hun bezittingen wilden vergroten. In de loop van de tijd hebben koningen, graven en baronnen zich weliswaar druk gemaakt over de waarde van de marsgronden; ze hebben echter maar zelden de mogelijkheid gehad het land in bezit te nemen. Daarom ook worden er geen landgoederen van koningen of de adel gevonden. Daar staat tegenover dat op de grote boerderijen op de marsgronden, de zg. "haubarg", zich een zelfbe-wuste boerenaristocratie ontwikkelde

Op dezelfde wijze hebben de Friezen op zee met moed en geducht
zeemanschap tegen een onbarmhartige zee, torenhoge golven, stormen,
reusachtige zeedieren en de kou moeten strijden en, als ze geluk hadden, brachten ze rijkdom mee naar hun niet bijzonder vruchtbare leefomgeving.

Ondanks die onzekere levensomstandigheden, met dood en verderf direct aan de horizon, hebben de Friezen op eigen kracht een leefbaar bestaan voor zich kunnen creëren. Een bestaan dat bovendien vaak heeft geresulteerd in een overvloed aan economische welvaart en culturele ontwikkeling.

Ja, de Friezen en de andere volkeren langs de Waddenzee hebben veel gedaan om trots op te zijn en dat heeft natuurlijk hun ego en gevoel van eigenwaarde, dat ze in de regel niet wegstopten, versterkt. Daarom zit er zeker iets in de bewering dat de Friezen zo ingenomen zijn met hun eigen wereld, dat ze wat intolerant zijn geworden tegenover de wereld buiten hun eigen gezichtsveld.

Met een moderne "slang"-uitdrukking zou men misschien kunnen zeggen dat de Friezen af en toe een "bananenstrijd" voeren, weliswaar misschien niet allemaal, maar toch wel een behoorlijk deel van hen.

De oude eigenaar-boeren waren absolute alleenheersers op hun boerderijen op de marsgronden en het waren vaak harde heren, die zelden tegenspraak duldden.

Hetzelfde kan van de commandeurs worden gezegd, wier woord wet was op hun schepen en waar ze de absolute heerschappij over hun bemanningsleden hadden.