De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Dat zijn de Friezen > Marsgrondboeren en commandeurs

Marsgrondboeren en commandeurs

Al vanaf zeer oude tijden hebben de Friezen de reputatie gehad dat ze krijgshaftig, strijdbaar en dapper waren. Deze karakteristieken bestaan nog steeds, maar zijn in de laatste 400 jaar niet op een aansprekende wijze naar voren gekomen. In die tijd is deze karaktertrek niet vaak op de proef gesteld. Het karakter van mensen verandert als gevolg van de wijziging in levensomstandigheden. Een nieuwe levensstijl levert nieuwe gewoontes op. Het harde leven heeft de mensen langs de Waddenzee en op de daarbij behorende eilanden, natuurlijk ben-vloed. De eeuwige strijd om het bestaan tegen de zee, die meer en meer land opeiste en die de bevolking steeds verder oostwaarts drong, terwijl weilanden en steden in de golven verdwenen, hebben de mensen, die deze strijd moesten voeren, onontkoombaar een stempel meegegeven.

Er kunnen talloze verslagen worden gevonden over reeksen ongelukken, ziektes, dijkbreuken, overstromingen, ingestorte huizen en verdronken mensen en vee.

De priester H.F. Feilberg ( 1831-1922) vertelt in zijn boek "Deens boerenleven" over de stormvloedgruwelen:

"Over Fr wordt verteld, dat de bewoners van Wyk naakt uit de huizen moesten vluchten en er ongeveer 4000 schapen verdronken. Vanuit de richting van de eendenkooi kwam het water met zon grote snelheid, dat velen pas wakker werden van het kabbelen van het water in de kamer. Toen ze uit bed sprongen, stonden ze tot de knien in het water. Het was het een vreselijke nacht op de kleine lage Noordzee-eilanden, de halligen. Ze namen aanzienlijk in omvang af en werden bedekt met slib, zand en mosselschelpen, dat op sommige plaatsen 12 duim dik lag. Over grote afstanden was er geen grasspriet meer te zien. Op Sdfall gingen alle woningen ten gronde en geen mens of dier werd gered. De drie bewoners op Norderoog brachten 48 uur in een boot door en zelfs op de hoogste terpen kwam het water tot in de huizen. Op Langeness spoelden de lijken uit hun graven.

Een Fries van Amrum van eind 1600.

In een bericht van een ooggetuige wordt vermeld: "Om 9 uur s avonds kwam het meeste land nog boven zee uit en velen zouden zich zelf en hun eigendommen hebben kunnen redden door naar de zolder te gaan of alleen maar de deur te versperren. Daar was echter later geen tijd meer voor, want het water steeg toen zo plotseling, dat het zich al om 11 uur torenhoog over het land uitstortte. De vloed overspoelde de hoogste oeverwallen en drong alle huizen binnen. Het geweld overmande de door de zee omgeven mensen. Op Hoge moesten de bewoners naar de zolder vluchten en het water stond 4 tot 5 voet in de kerk; stenen waren losgerukt en stoelen dreven rond de kerk".

Toen de vloed op komst was en er in het zuidwesten donkere wolken kwamen opzetten, bleef men de hele nacht op; niemand durfde naar bed te gaan.

De zee kon, nadat zij zich had teruggetrokken, echter ook rijkdom voor het land brengen. Het slib, dat door het water werd achtergelaten, zorgde voor vruchtbare weilanden. Daar konden de ossen zich groot en vet vreten, zodat ze op de markten in het zuiden veel geld konden opbrengen. Toch moest men zich er voortdurend van bewust zijn dat alles bij de volgende stormvloed kon worden verwoest. Het was een onzeker bestaan en het vereiste moed en een grote mate van samenwerking om met behulp van dijken de aanvallen van de zee te voorkomen. Vaak bleek de bescherming onvoldoende te zijn.

Tegelijkertijd probeerde men iets van de verloren grond te heroveren door het aanleggen van golfbrekers, die het slib, dat met hoog water bezonk, vast konden houden. Hierdoor ontstond langzamerhand nieuw land, dat met de tijd misschien weer kon worden ingedijkt.

Vaak echter, werden vele jaren werk in n enkele stormnacht vernietigd.

Op de eilanden Amrum, Fr, Sylt, Rm, Fan en de halligen eiste de zee door de eeuwen heen vele levens op. De kleine eilandsamenlevingen met het kleine areaal zandige grond kon de bevolking niet van brood voorzien. Bijna de gehele manlijke bevolking ging naar zee, eerst op walvisvangst in de
Noord-Atlantische Oceaan en later in de loop van 1800, toen de walvissen en de zeehonden langzamerhand waren uitgeroeid, aan boord van Duitse en Hollandse schepen, die de wereldzeen in beperkte mate bevoeren.