De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Dat zijn de Friezen > Sterk vrouwvolk 

Sterk vrouwvolk 

De vrouwen speelden weliswaar niet de baas, maar ze waren zich wel hun waarde bewust. Hun arbeidskracht werd hoog gewaardeerd en dat wisten zij maar al te goed.

Vooral op de eilanden heerste het matriarchaat. De mannen en de jongens waren een groot deel van het jaar naar zee. De vrouwen moesten daarom zorgdragen voor het landwerk, het zaaien en het oogsten, het melken en het kopen en verkopen van landbouwproducten, koeien, schapen en geiten. Zo ontstonden er generaties van sterke en handelingsvaardige vrouwen, zelfbewust en met een duidelijke mening.

Het zal zeker botsingen in het gezinsleven hebben gegeven wanneer de commandeurs in het najaar van een lange reis thuiskwamen en zich met het landwerk probeerden te bemoeien. Hoewel het misschien niet z erg is geweest, wordt er verteld dat de kapiteins of de commandeurs zelf van oordeel waren dat de landbouw alleen maar dankzij hn vaardigheid kon worden uitgeoefend. Dat verkondigden ze tenminste wijd en zijd nadat ze weer een dag waren uitgeweest en een blik in de stal wierpen!

De vrouwen van de Friezen werden vanwege de bovengenoemde eigenschappen erg geacht en gerespecteerd. Welk ander volk heeft dan ook een brijpot in zijn wapenschild, als herinnering aan die keer toen de vrouwen de vijand op de vlucht joegen en hun mannen verlosten door de aanvallers warme gortpap naar het hoofd te gooien?

Er zijn 2 versies van deze geschiedenis in omloop. In de ene versie zijn de tegenstanders Denen, in het andere de onderaardse kabouters.

Een oude vrouw op Sylt vertelde:

"Eens voerden de Syltenaren oorlog met de kabouters. Ze verzamelden zich op de heide van Tinnum bij de tinghoogtes en met koning Brns voorop togen de strijders noordwaarts richting aardmannetjes. Het werd een erg heftige en verbitterde strijd. De kabouters werden teruggedreven, waarna zij zich oost-
waarts uit de strijd terugtrokken. Daaraan ontleent het Pukdal haar naam. Maar de aardmannetjes hervatten de strijd en nu nog hardnekkiger en verbitterder. De Syltenaren vochten manhaftig, maar toen koning Brns en vele honderden met hem, sneuvelden, begonnen ze aan de terugtocht in zuidwestelijke richting, tot achter Risgab.

Tot ieders geluk kwamen hun vrouwen, dochters en geliefden hen tegemoet met hun brijpotten. De vrouwen waren er namelijk bezorgd over dat hun mannen misschien in de nacht niet terug konden komen en dat ze van honger zouden omkomen. Daarom had ieder voor zich een pan met gortpap gekookt. Tegen de avond gingen ze allemaal naar de heide om hun mannen een hartversterking te brengen. Toen het hen echter duidelijk werd dat de Friezen op de vlucht waren, werden ze boos. Ze scholden de vechtersbazen uit en gooiden met de gortpap naar de aardmannetjes. Enkelen van hen kregen gort in de ogen en werden blind, anderen kregen teveel in de keel en stikten, terwijl weer anderen, bij het zien van de vele mooie vrouwen, helemaal vergaten dat ze aan het vechten waren. Op het laatst kwamen de Syltenaren weer bij zinnen; ze keerden weerom en sloegen nu zo wreed op de aardmannetjes in, dat ze allemaal voor het aanbreken van de nacht dood op de heide lagen.

De kabouters sloten vrede met de Syltenaren en vestigden zich bij de tuinen en in de huizen. Enkele van hen werden scheepskabouters op de schepen van de Syltenaren, de zogenaamde "klaboutermannetjes".

In de Friese sagen komen massas geschiedenissen over dwergen Dwerg Puk en de aardmannetjes voor. Kabouters zijn Noordse figuren en zitten in het grote en erg onbekende Duitsland, ten zuiden van de Eider.

De Holsteinse sagenverzamelaar Mllenhoff geeft de sage over de brijpot als volgt weer:

"De Friezen waren een keer in oorlog met de Denen en op een gegeven moment liep het mis en vluchtten ze. De vrouwen van de Friezen waren op dat moment net in het kamp gort aan het koken. Toen ze de lafheid van hun mannen zagen, pakte ze de brijpotten en
gingen de vijand met de hete pannen tegemoet. Links en rechts gooiden ze met de hete gort om zich heen, zodat het de Denen om de oren vloog. In het begin verbaasden de Denen zich en lachten erom. Maar toen de Friezen de dapperheid van hun vrouwen zagen, keerden ze vol schaamte om en begonnen de slag opnieuw. Uiteindelijk moesten de Denen vluchten".

Sinds die tijd wordt gezegd dat, nadat de Friese vrouwen de Denen met de brijpot op de vlucht hadden gejaagd, de mannen uit dankbaarheid de pan in het Friese wapenschild opnamen. Het wapen heeft overigens ook een veld met de Deense gouden koningskroon, omdat Friesland destijds tot de
Deense kroon behoorde. Daarnaast is er ook nog een veld met een halve Duitse adelaar. Die stamt van keizer Karel de Grote. Toen hij Rome binnentrok, had hij Friezen in zijn leger. Zij onderscheidden zich tijdens de strijd en er werd gezegd dat zij in feite de slag beslisten.

De dankbare keizer wilde ze onderscheiden met geschenken en titels, maar de Friezen bedankten daarvoor. Zij gaven de voorkeur aan privileges thuis in Noordfriesland. Die kregen ze: Onder meer hun eigen landschapswetten; ze mochten hun eigen leiders kiezen en hun eigen rechtbanken oprichten. Als symbool voor deze privileges kregen ze de halve adelaar in het wapenschild.

De vrouwen hadden, behalve de zware arbeid, ook een leven vol van angst en zorgen, met name ook de angst dat de man, geliefde of zoon buiten op zee zou blijven. Er wordt verteld dat men vaak in het zwart geklede vrouwen, turend over de zee, op het strand zag, in de hoop het schip met n van de geliefden op terugweg te ontwaren.

Weduwes konden urenlang in hun zwarte rouwkleding op het strand staan, al starend over de zee, die hun mannen had opgeist.

Er bestaan ontroerende verslagen over trouwe liefde, waarbij men ondanks het feit dat men al heel lang gewacht had, bleef hopen dat de echtgenoot of geliefde weer thuis zou komen. Ook het tegendeel kwam voor; wanneer de wachttijd te lang was en het meisje met een ander trouwde:

Een meisje van Eidum, zo luidt de sage, verloofde zich met een jonge man en beloofde hem bij hoog en bij laag, dat ze liever in een steen zou veranderen dan een ander dan hem te nemen. Zich baserend op haar trouw ging de jonge man naar zee. Het meisje vergat hem echter snel, ging veelvuldig met andere mannen om en verloofde zich op het laatst met een slager uit Keitum. De dag van de bruiloft werd vastgesteld en de bruidsstoet formeerde zich naar oud gebruik met een ceremoniemeester voorop en ging van Eidum richting Keitum. Halverwege kwamen ze een oude vrouw tegen, die riep dat de bruid een heks was. Gergerd en boos antwoordde de ceremoniemeester "Als onze bruid een heks is, dan mogen wij allen in de grond wegzakken en in een steen veranderen". De woorden waren nauwelijks uitgesproken, toen het hele gezelschap daar halverwege, met bruid en bruidegom, in de grond wegzakte. Vervolgens groeide iedereen inderdaad uit tot een zwerfkei. Die vijf grote stenen, twee aan twee, met de ceremoniemeester er voor, kan men sindsdien bekijken. Ze staan ten noorden van Tinnum, ter herinnering aan dit voorval en ze worden de bruiloftstenen genoemd. Dit als een waarschuwing voor wat er kan gebeuren wanneer men een belofte breekt.

Een voorbeeld van trouwe liefde wordt gevonden in de sage over het sedal op Sylt: een boer in het dorp Venningstedt had de mensen, die hadden meegeholpen met het egaliseren van een hoog stuk land, voor een feestmaal uitgenodigd. Tijdens het eten ontstond er een hevige ruzie tussen de gasten. De waard bemoeide zich er mee en in zijn boosheid ging hij zo ver dat hij een van hen doodsloeg. Na dit ongeluk raakte hij in paniek over zijn daad en vluchtte het huis uit. De volgende dag zocht men vergeefs naar hem. Het heette dat hij van het eiland was weggevlucht en zich aan de arm van de wet had onttrokken.

Zijn vrouw se draaide nu voor de gebruikelijke afkoopsom op. Dat betekende dat ze een gedeelte van haar grond moest verkopen. De jaren daarop moest ze hard met de handen werken om een inkomen voor zichzelf en voor haar kinderen te verwerven.

Er gingen vele jaren voorbij zonder dat men iets van de ongelukkige
moordenaar hoorde. Zijn naam en misdaad waren al bijna vergeten, toen het gerucht zich verspreidde dat de vrome en hoogaangeschreven se een kind verwachtte.

Dat wekte, niet alleen in het afgelegen dorp, maar op het hele eiland opzien en de mensen braken zich het hoofd over de vraag wie toch wel de vader van het kind van de ongelukkige echtgenote kon zijn. De nieuwsgierigen gunden zich geen rust voordat de zaak opgehelderd was.

Het bleek dat de moordenaar het eiland helemaal niet verlaten had, maar zich sinds de ongelukkige dag in een bouwvallige hut in een dal bij Venningstedt had schuilgehouden. Daar had zijn vrouw hem de hele tijd eten gebracht. Toen de mensen hoorden van zijn jarenlange boetedoening en van de wijze waarop hij in leven was gehouden, zetten ze een streep door iedere bittere herinnering aan dat wat eens was gebeurd. Ze namen de teruggevondene met vreugde weer in de gemeenschap op. Als herinnering aan de trouw en de opofferende liefde van zijn echtgenote, die alles overwon, heet de duinvallei tegenwoordig het sedal.

De Friese vrouwen waren erg in trek. Ze waren mooi en gesteld op reinheid en dat maakte grote indruk op veel bezoekende schrijvers. De karakteristieke en vaak straffe wind, die het land onder de hoge en wijde hemel kenmerkte, bezorgde de meisjes een blozend gelaat en gaf hen een mooie en gezonde huid. Dat is nog steeds het geval.

Een goede en vlijtige vrouw was bovendien van onschatbare waarde. Op de eilanden trouwden de jonge mannen het liefst met een meisje van hetzelfde eiland, omdat zij dan, als hij naar zee was, wist hoe de
boerderij moest worden gerund. Wanneer er geen huwbare meisjes op het eiland beschikbaar waren, dan kon de jonge man in geval van nood een geliefde van een buureiland, of van het vasteland halen. Het liefst echter niet te ver van de kust, want de meisjes in het binnenland wisten niet veel van de gang van zaken op het eiland.

Volgens de legende zouden de Friezen zijn genoemd naar de godin Freya, de noordelijke Aphrodite met een wat onduidelijke reputatie. Zij reed rond in een wagen, die door twee katten werd getrokken.

Vaak beslisten de meisjes, wie van de
vrijers zij als echtgenoot wilden hebben.

Hans Christian Andersen vertelt in de roman "De twee baronessen" over een avondgesprek in Dagebl, waar men het over oude gebruiken had. Hierbij kwamen ze op een grappige geschiedenis over de wijze waarop de Friese meisjes vroeger hun aanstaande uitkozen. Dat gebeurde volgens een oud gebruik, dat later op morele gronden door de autoriteiten werd verboden.

H.C. Andersen schrijft: "En nu is het oude "vensteren" dat al bijna is uitgestorven, ook nog verboden door de wet".

"Het lijkt mij toe dat dat ook verboden moet worden" zei Moritz; "het lijkt mij strijdig met alle regels van de eerbaarheid een dergelijke gewoonte te behouden".

"Het was juist erg zedelijk"!, zei madam Levsen "Mijn grootmoeder was een innerlijk morele echtgenote, terwijl ze toch door het vensteren aan haar man was gekomen. Men wist immers dat, wanneer iedereen in bed lag, de jonge man naar het huis ging waar zij woonde; daar was hij vrij in. De kamerramen werden nooit gesloten. De vrijer klom heel keurig de kamer binnen en ging naast het bed zitten. Daar kon hij zijn hart uitstorten en wanneer zij hem niet mocht, had zij immers het recht om, zo lang ze wilde, onder de dekens te kruipen. Dan moest hij vertrekken. Ik vind dat niet stuitender dan de huidige lange verlovingen en het eeuwige gezoen, dat daar op volgt. Dat vind k immoreel. Nog niet n kus kregen zijn bij de nachtvrijerij! Ik weet dat, want mijn grootmoeder was een waarheidlievende echtgenote". ("Nachtvrijerij" was overigens volgens Feilberg over heel Jutland en Funen verbreid en het ging niet altijd zo eerzaam als H. C. Andersen hier vertelt.)

"Madam Levsen vertelt ook wat zijn in die wereld had verloren; al haar zonen waren op zee gebleven, op n na. Van hem had ze een kleinzoon, Elimar, haar oogappel, de knapste jongen, het bijdehandste kind; hij was nu ook buiten op of in "het natte graf". Het was zijn eerste reis, "een Groenlandvaart"! Nee het land is toch maar veiliger, vervolgde de oude vrouw".

Wanneer de man met zijn schip op zee bleef, werden veel vrouwen dan ook op een jonge leeftijd weduwe. Als zon weduwe op een goede boerderij zat, dan waren er vaak veel vrijers, zoals bijvoorbeeld jongere stuurmannen en matrozen, die graag het bed, de boerderij en het schip van de omgekomen echtgenoot wilden overnemen.

Ook al hadden de vrouwen hun echtgenoot bij het gevaarlijke werk op zee verloren; ze stonden ze er volledig achter dat hun zoons de familietraditie voortzetten en een opleiding in de scheepvaart volgden. De bijdehandste jongens kregen les in wiskunde en navigatie en werden naar de eerste Deense zeevaart-scholen gestuurd. Die werden in de 19e eeuw op Amrum en Fan opgericht.

Ook de begaafde zoons van de welvarende marsgrondboeren moesten een goede opleiding hebben. Zij kregen priv-les in vakken als geometrie, wiskunde, geologie en andere nuttige wetenschappen. Die kennis konden ze gebruiken bij het ontwerpen en aanleggen van dijken en met landaanwinningswerkzaamheden.