De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De Friezen in Zuid-Jutland

De Friezen in Zuid-Jutland

Bij de geschiedenis van de Friezen in het Noordelijke deel van West Sleeswijk, dat in 1920 bij Zuid Jutland werd gevoegd, is sprake van veel tegenstrijdigheden. Er is discussie geweest over de vraag hoever de Friezen zich oorspronkelijk ten noorden van de grens bij de Vidå hebben gevestigd, wanneer men tenminste van de aanname uitgaat, dat ze vanuit het zuiden het land zijn binnengekomen. Men is het er in ieder geval over eens dat in de omgeving van Tønder-Højer-Møgeltønder eeuwenlang een groot deel van de oorspronkelijke bevolking het Fries als moedertaal had.

Het verschil van mening gaat over de vraag of de Friezen toch niet van het noorden binnenkwamen en dus in werkelijkheid een soort Jutten zijn, met een Scandinavische inslag, zoals de Noren en de Zweden. Tegenwoordig houden veel onderzoekers vast aan de opvatting dat de Friezen in twee golven vanuit het zuiden zijn gekomen. De eerste golf zou dan in de 9e eeuw vanuit het Nederlandse Friesland zijn gekomen. Zij trokken hoofdzakelijk naar het gebied boven het westelijke Eiderstedt en naar de eilanden. De tweede golf zou twee- of driehonderd jaar later uit het huidige Oost-Friesland zijn gekomen en zij zouden zich op de marsgronden en op de halligen hebben gevestigd.

Enkele kronieken vertellen over Friezen rondom Ribe, terwijl er zich ook Friezen helemaal richting Ringkøbing zouden hebben gevestigd.

Het meningsverschil gaat dus over de vraag tot waar de Friezen in het Deens sprekende deel van de Waddenzeegebied tot de oorspronkelijke bevolking moeten worden gerekend. Dit kan als een strikt academische vraag worden beschouwd. Om echter de historische rol van dat volk te begrijpen, is het natuurlijk niet onbelangrijk te weten of ze het oorspronkelijke volk in

het Zuidjutse gebied waren, dan wel dat ze een binnengedrongen vreemd element in de eeuwige strijd om grond en invloed zijn geweest.

Indien de Friezen als vreemdelingen werden beschouwd, dan kan dat misschien de geringe Deense belangstelling voor hen, zowel politiek, als wetenschappelijk, verklaren. Men moet vaststellen dat er sprake is van verbazend weinig onderzoek naar de Friese taal en cultuur, ondanks het feit dat er langs de Zuidjutse westkust nog steeds veel zichtbare voorbeelden van Friese aanwezigheid en van culturele invloeden zijn te vinden. Voorbeelden zijn familienamen, architectuur, als ook de landschaps- en bedrijfsstructuren.

Er bestaan verklaringen van autoriteiten op het vakgebied van geschiedenis, die aangeven dat de rol van de Friezen, in het gebied dat nu tot Denemarken behoort, minimaal is geweest. Professor Durk Gorter van de Fryske Akademy in Leeuwarden in Nederland stelt vast dat het grondgebied van de Friezen slechts iets ten noorden van de Duits-Deense grens eindigt. Professor Alistair Walker van de Universiteit van Kiel, een Engelse taalwetenschapper, die jarenlang het verband tussen het Fries en het Engels heeft bestudeerd, is van mening dat het Friese element ten noorden van de grens al lang is uitgestorven.

Lektor Hans Jacob Rank van Skærbæk doet onder andere onderzoek naar de vroegere zoutwinning op de marsgronden. Hij vertelt, dat het enige op zekerheid berustende bewijs van vestiging van Friezen ten noorden van het gebied rond Tønder is, dat er in de 13e eeuw veel Friezen naar Ballum kwamen om dijken te bouwen en te werken aan de landaanwinning. Het is echter niet mogelijk geweest daar sporen van terug te vinden.

De plaatselijk historicus, museumdirecteur H.E. Sørensen van Skærbæk heeft een grote serie boeken geschreven over de Waddenzee en haar bevolking. Hij zegt dat, afgezien van de omgeving van Tønder, de Friezen niet tot de oorspronkelijke bevolking behoorden. De mensen, die zich noordelijker vestigden, waren immigranten vanuit het zuiden.

Ook op het wetenschappelijke Friese Instituut in Bredstedt in Zuid Sleeswijk schijnt men zich niet zo intensief te hebben beziggehouden met de Friese voorvaderen ten noorden van de landsgrens. Het is verbazend hoe weinig materiaal het instituut over de Zuidjutse Friezen heeft kunnen verzamelen. Een medewerker van het instituut meent daarom dan ook dat de bewoning door Friezen zich slechts tot de grens bij de Vidå heeft uitgestrekt.

Het heersende wetenschappelijk standpunt is dus dat er in de loop der tijden weliswaar Friezen in het noordwestelijke deel van Sleeswijk hebben gewoond, maar dat er slechts sprake is geweest van een tamelijk bescheiden aantal immigranten.

De meningen verschillen dus over de vraag tot hoe lang de Friese taal de dagelijkse voertaal was in sommige gezinnen ten noorden van de streek rond Tønder en Højer. Mogelijk is dat nog niet zo lang geleden. Een 86-jarige man van Keitum op Sylt vertelde dat hij, wanneer hij als jongen van het vasteland naar het eiland Rømø voer (dat was vóór de tijd dat de dam er was), bij het aan land gaan in het Fries werd begroet en wanneer zij op familiebezoek naar het noordelijkste Friese eiland Fanø gingen, er eveneens Fries werd gesproken.

Uit het kadaster van Ribe blijkt dat ook daar families van Friese oorsprong woonden.

Het is toch nog gelukt een enkel klein overblijfsel van de Friese taal te vinden in het deel van Sleeswijk, dat nu Zuid-Jutland wordt genoemd. Wanneer oude mannen in het westelijke deel van het land hun populaire kaartspel Skaat spelen, dan duiden ze hun kaart nog steeds aan met de oude Friese getallen, bijvoorbeeld "hjerter ien"

Dat kan een andere aanwijzing van het feit zijn dat de Friese taal in de huidige Deense streken nog niet zo lang terug in de tijd gaat.

Gaat men naar Engelse bronnen, dan vindt men de opvatting, dat het Fries al lang voor onze tijdrekening, zowel verder noordelijker, als zuidelijker, dan de taalgrenzen die men heden ten dage denkt te kennen, werd gesproken. Zij wijzen er op, dat er geen grote verschillen waren in de taal, die werd gesproken door de Friezen, de Angelen en de Saksen die, zoals gezegd, Engeland binnendrongen, nadat de Romeinen zich hadden teruggetrokken.

De Engelsman Wilfred van York was de eerste christelijke missionaris in het Nederlandse Friesland, die, nadat hij door een storm op de kust was beland, van de koning het recht kreeg het christendom te prediken. Dat was omstreeks het jaar 675. In het jaar 692 arriveerde een andere Engelsman, Willibrord, die later de eerste door de Paus geïnstalleerde bisschop van de Friezen werd. Hij bekleedde dit ambt tot zijn dood in 739. Men zegt, dat deze Engelsmannen beide geen moeite hadden met het prediken voor de Friezen, omdat het lokale dialect heel veel overeenkwam met hun eigen Angelsaksische taal.

De Friese taal kan op grond van bovenstaande redenatie niet voor een indicatie van de oorsprong van de Friezen worden gebruikt. Wanneer er al een Friese oerbevolking in Zuidjutland, of verder naar het noorden, is geweest, dan lijkt er geen twijfel over te bestaan dat, net zoals de Duitse taal het Fries vanuit het zuiden verdrong, hetzelfde plaatsvond met het Deens, of het Zuidjutse dialect, dat vanuit het noorden in zuidelijke richting opdrong.

Het is echter moeilijk om zich voor te stellen dat er gelijktijdig ook direct een wisseling van bevolking heeft plaatsgevonden. Weliswaar hebben veel Friezen het Fries voor het Deens vervangen, maar hun "roots" zijn nog steeds Fries, ook al is de taal in veel families in het vergeetboek geraakt.

Men kan zich dus ook afvragen, hoe lang een bevolking in een landsdeel moet wonen, voordat ze als oorspronkelijk worden beschouwd. – Hoe lang moet men bijvoorbeeld op Bornholm wonen, voordat men zich Bornholmer mag noemen?

In de 16e eeuw vond een grote immigratie plaats van de noordelijke Nederlanden; echter niet naar de Waddenzeekust maar naar het kleine eiland Amager, ten zuiden van Kopenhagen.- Deze geschiedenis is te danken aan het feit dat de Deense koning Christian II een jonge en mooie geliefde had, die van Waterland in Nederland kwam. Zij heette Duveke.

Zij haalde de koning over Nederlandse boeren uit te nodigen zich op het vruchtbare Amager te vestigen. Zij kwamen van Waterland en het kleine eiland Marken. Enkelen van hen hebben waarschijnlijk Westfries gesproken. De bedoeling was dat zij de grond zouden ontginnen om de koning en zijn hofhouding van verse landbouwproducten van goede kwaliteit, zoals boter, melk, groente, wild en vlees, te voorzien.

De producten die het hof niet afnam werden op de markten in Kopenhagen verkocht.

De nieuwe Amager-boeren waren vlijtige mensen, die al snel erg welvarend werden en die meerdere eeuwen hun taal en gewoonten bewaarden, zodat de Kopenhagers er geen enkele twijfel over hadden waar ze vandaan kwamen.

Undermenu