Bewoners op het vasteland

Men kan zich afvragen waarom de deskundigen zo overlopen van zekerheid, waar het gaat om de bevolkingssamenstelling in de noordelijke Wadden-
zeegebieden. Kijkt men over de laatste duizend jaar naar de nederzettingen in deze gebieden, dan is er sprake geweest van steeds wisselende natuur- en levensomstandigheden; een verandering, zoals weinig andere plaatsen in de wereld die hebben gekend.

Het is voor de mensen enorm moeilijk geweest om een bestaan te vinden in dat ongastvrije kustgebied. – De kustbevolking van de Waddenzee heeft met heel zware beproevingen te maken gehad. Niettemin is het met grote inspanningen en doorzettingsvermogen, na een lange tijd, met behulp van niet traditionele methoden in de landbouw, zoutwinning, jacht, visserij, in de scheepvaart, enz., gelukt om geschikte levensomstandigheden te scheppen voor een groeiende bevolking.

Wie waren deze mensen, die zo koppig tegen "Blanke Hans" hebben gevochten en daarbij zowel hebben verloren als gewonnen?

Het lijkt niet waarschijnlijk dat geïmmigreerde Jutse boeren zich in groten getale in deze streek hebben kunnen handhaven!

Het moet een volk zijn geweest, dat ervaring, te weten technische ervaring en kennis, had waarmee men onder deze omstandigheden kon overleven; een volk dat de zee en haar gevaren kende. Zij moeten noodzakelijkerwijs kennis van dijkenbouw en de aanleg van afwateringskanalen hebben gehad - en hebben geweten dat het net zo belangrijk is zich van het water te ontdoen, als om het te beletten het land binnen te stromen.

Dat kunnen Friezen zijn geweest en het lijkt toch wel erg toevallig dat, zoals de wetenschappelijke deskundigen vertellen, hun tocht naar het noorden niet verder reikte, dan tot een nationale grens die in 1920 werd vastgelegd.

Er waren, misschien afgezien van dialectverschillen en nationale tegenstellingen, tot ca 100 jaar geleden geen verschillen in leefomstandigheden, gebruiken en gewoontes in het noordwestelijke Sleeswijk, of men nu ten noorden, of ten zuiden van de Vidå woonde.

Op de vlakke marsgronden van het vasteland, onder een hemel die hoger schijnt te zijn dan waar dan ook ter wereld, bouwden de bewoners allen in dezelfde stijl, op vernuftig aangelegde terpen ter bescherming tegen overstromingen door de zee, hun met riet gedekte huizen en boerderijen met de ambitieuze voorgevels.

De zee bracht niet alleen maar tragedies en ongelukken, maar ook, nadat zij zich had teruggetrokken, vruchtbare graslanden. Op de weelderige weiden van de marsgronden fokte men door de eeuwen heen de vele honderden schapen en het rundvee, die voor de hoofdinkomsten zorgden. De dieren werden verscheept vanaf Ribe, Rudbøl, Tønder, of Husum en in het zuiden voor goede prijzen verkocht.

De huizen van de mensen, als ook de inrichting ervan, hadden in grote lijnen, overal langs de hele Noordzeekust van Den Helder tot Esbjerg, dezelfde Fries-Hollandse stijl. De kerken hadden allemaal dezelfde naar de hemel reikende spitse torens. De paraatheid met het oog op de aanvallen van de zee was op dezelfde wijze georganiseerd middels het waterschap, dat verantwoordelijk was voor de veiligheid van de dijken. De voorzitter van het waterschap werd ook ten noorden van de Vidå dijkgraaf genoemd.

Op veel plaatsen kan men in de huizen en boerderijen langs de kust nog steeds dezelfde ornamenten vinden, zoals de decoratieve wanden met karakteristieke Hollandse tegels in blauw en wit, vaak met religieuze motieven. Deze wanden geven de kamers in de oude huizen een eigen stijl ,die vaak met groot respect is bewaard. De tegelwanden kunnen onder meer in de nationale Commandeursboerderij bij Juvre op Rømø worden bewonderd.

Deze gezellige tegelwanden waren vroeger vermoedelijk in de meeste huizen te vinden, vooral in de keuken, maar ook in de pronkkamer. Ze kwamen zelfs in de meer bescheiden huizen voor en zullen daarom wel goedkoop zijn geweest. De tegels kostten toen ook niet veel, misschien kreeg men ze zelfs wel gratis. – De meeste werden ongetwijfeld als cadeau gegeven wanneer de zeeman weer thuiskwam. – Wanneer de platbodems van de Waddenzee vanuit de noordelijke verschepingsplaatsen hun lading vee in een Nederlandse haven hadden afgeleverd, moesten ze noodzakelijkerwijs ballast aan boord hebben om bij zware zeeën op de thuisreis niet om te slaan. Omdat er niet veel stenen in het vlakke Nederland zijn, werden de afgedankte en mislukte tegels van de grote aardewerkfabrieken in het laadruim gegooid om de schepen te stabiliseren.

Daarom konden de vele oude Noordfriese huizen worden versierd met de mooie tegels. Tegenwoordig worden de beste tegels, als kostbare antiquiteiten, voor hoge prijzen verkocht.

Er schijnen overigens veel onderlinge handelsbetrekkingen tussen de
Noordfriese eilanden te zijn geweest. Zo wordt verteld, dat de bewoners van Fanø nauwe banden onderhielden met het eiland För, dat men onder meer van turf van de Jutse veenmoerassen voorzag. De Fanikers (bewoners van Fanø) kochten de turven op bij de boeren in het noorden en voeren ze naar För, waar ze met een goede winst werden verkocht. De Föringers hadden op hun zandige eiland niets anders dan natuurlijke brandstof, zoals gedroogd zeewier en drijfhout om hun huizen mee te verwarmen.