Bewoners van de eilanden

Het leven op de Waddenzee-eilanden, zoals het Duitse Amrum, För en Sylt en het Deense Rømø, Manø en Fanø, ontwikkelde zich door de eeuwen heen in hoofdlijnen identiek, met maar weinig contacten met het vasteland. Daardoor ontwikkelden zich natuurlijk verschillende lokale gewoontes, gebruiken en dialecten. De bewoners waren boeren en zeelieden. De meest toonaangevenden waren de welvarende kapiteins, of commandeurs, zoals ze naar Nederlands gebruik werden genoemd. Ze brachten in een periode van meer dan 100 jaar grote rijkdommen thuis met de walvisvangst, de visserij en de lange lucratieve scheepsreizen over de hele wereld. Zij deden dat zowel op eigen schepen, als op Nederlandse en Duitse vaartuigen, die de kundige, bij voorkeur Friese, navigatoren graag in dienst namen.

De commandeurs waren ontwikkelde mensen met een brede blik en levenservaring. Thuis op de eilanden bouwden de rijke commandeurs naar de opvattingen van die tijd, prachtige boerderijen en landbouwbedrijven. Die werden het grootste deel van het jaar door de echtgenotes en de dienstmeisjes beheerd, terwijl de man langdurig op zee was.

De gewone zeelieden waren schaars, dus wie het goed aanpakte kon toch een redelijk deel van de opbrengst krijgen. Van hun bescheiden woningen is tegenwoordig op de eilanden niets meer over.

Rømø, Manø en Fanø, waren, in tegenstelling tot de zuidelijke Friese eilanden, niet vruchtbaar. De zandige grond kon de bevolking niet voeden en daarom ging bijna de hele mannelijke bevolking naar zee, eerst op walvisvangst in de Noordelijke IJszee. Later, toen de walvissen en de zeehonden in de loop van 1800 langzamerhand bijna waren uitgeroeid, monsterden ze aan op de Duitse en Nederlandse zeilschepen van de grote vaart.

Terwijl de mannen van februari tot september/oktober naar zee waren,
losten de vrouwen de problemen thuis op. Zo werden ze bijvoorbeeld vaak met erosie en het onderstuiven van landbouwarealen geconfronteerd. Er waren veel oorzaken voor de zich plotseling voordoende zandverstuivingen.

Met een grote bevolking van ca. 1800 mensen op Rømø, ten opzichte van momenteel ca. 800, zal er veel brandstof nodig zijn geweest, waar veel bomen voor werden geveld. Daardoor kreeg de wind vat op het zand. Veel mensen betekende ook veel grazende huisdieren, waardoor de tere vegetatie, die het zand moest vasthouden, werd vernield.


De tekening van het begin van 1600 toont de gebrekkige boten, die werden gebruikt om dichtbij te kunnen komen teneinde de reusachtige walvissen in de IJszee te harpoeneren Het was een levensgevaarlijke job voor de mensen die dat moesten doen. Velen kwamen om het leven, maar de vangsten brachten grote rijkdom naar bijvoorbeeld Rømø. 

De vrouwen verwijderden na stormen het zand bij de huizen en op de weilanden en deponeerden dat in wallen, waar rijshout en slib overheen werden gegooid en plantten helm, een soort gras dat in bosjes groeit. Hierdoor werd het opwaaien van het zand op den duur zo goed tegengegaan, dat men op een redelijke wijze de landbouw kon blijven uitoefenen. Tot op de dag van vandaag kan men rond de weilanden en de boerderijen in Juvre de lage zandwallen van destijds nog herkennen.

De vangst van walvissen in de noordelijke wateren, waar, behalve walvissen, massa’s zeehonden, walrussen, grote vissen en andere zeedieren voorkwamen, leverde grote winsten op. Het was zwaar werk daar in de IJszee, waar men op die grote zeedieren jaagde. Er heerste een ijzeren discipline en de religie was een onbarmhartige leidraad als het er om ging verkwisting en dronkenschap aan boord te bestrijden. De straffen waren streng en direct.

Over een commandeur van Rømø wordt verteld dat hij, na twee tochten met zijn schip naar de IJszee, thuiskwam met een recordvangst van respectievelijk 28 en 30 walvissen. Zijn totale vangst door de jaren heen, liep op naar 106 walvissen. Er was in Europa een grote vraag naar spek, traan en andere walvisproducten, die dan ook voor goed geld verkocht konden worden.

Berichten over de walvis- en zeehondenvangst in de arctische wateren bij Groenland in de 18e en 19e eeuw, vertellen over gruwelijke en dramatische gebeurtenissen, die het leven aan boord van de oude walvisschepen in een onmenselijk perspectief plaatsen. Het drama in de beroemde roman over de walvisvaart "Moby Dick", van de Amerikaanse schrijver Herman Melville, is vast en zeker ook veel Friese zeelui in de Noordelijke IJszee overkomen.


Het nationale museum Commandeursboerderij in Juvre op Rømø, waar men een indruk kan krijgen van het leven van de vroegere commandeurs en scheepskapiteins, die erg rijk waren.

Om de reusachtige zeemonsters (zie de voorpagina van dit boek met een paar enorme walvisribben) te kunnen harpoeneren, moesten de walvisvangers van de primitieve zeilschepen overstappen in kleinere roeiboten Die bootjes konden door één enkele klap van de staart van een gewonde walvis omslaan. Dat kwam regelmatig voor. Nadat de walvis zijn laatste adem had uitgeblazen, begon het zware werk om het dier in stukken te snijden. Alleen de tong al kon meerdere tonnen wegen. Daar kwamen de strijd tegen de onrustige en gewelddadige zee zelf, de koude, ijsbergen, de moeilijke omstandigheden aan boord en de erg slechte proviand nog bovenop. Veel Friese zeelieden hebben deze jaarlijkse tochten niet overleefd.  
In het jaar 1777 ging een groot aantal walvisschepen verloren, toen ze ten oosten van Groenland door het ijs werden ingesloten. Men vermoedt dat bij die gelegenheid tussen de 200 en 300 zeelieden het leven in de poolwinter lieten.

Daarvan kwamen er 34 van Rømø, onder andere één van de voorouders van de grote Deense scheepsreder A.P. Møller. Veel overlevenden onder de Deense, Duitse en Nederlandse zeelieden verhaalden na de thuiskomst in Europa over het onvoorstelbare lijden en de vermoeienissen die ze als schipbreukelingen in de poolwinter moesten doorstaan om de lange wintermaanden door te komen.

Wanneer men de verhalen mag geloven, dan deden maar weinig deelnemers vanaf de eilanden Manø en Fanø aan de walvisvangsten in de IJszee mee. Het grootste deel van de schepen en bemanning van deze eilanden ging op de grote vaart naar andere zeeën. De jonge Fanikers gingen al op heel jonge leeftijd naar zee. Op de grote zeilschepen die de oceanen bevoeren was veel volk nodig en de jonge jongens waren goedkope arbeidskrachten. Het varen tegen lage kosten was een belangrijke reden van het succes van de West-sleeswijkse scheepvaart.

De belangrijkste periode van de walvisvangst duurde al met al ongeveer honderd jaar. Ook de vele zeerovers getuigen ervan dat er echt sprake was van gouden tijden. De zeerovers, die huishielden in het Lister Diep, kwamen helemaal van Algerije en plunderden de rijk belaste schepen.