De Friezen stemden Duits

Hoe sterk het Duitse in de Friezen was geworteld, werd wel bewezen bij de volksverkiezingen van 1920, toen de nationale grens ongeveer 50 kilometer zuidwaarts, van de Konge Å bij Ribe, naar de Vidå bij Tønder, werd verplaatst. In de Fries sprekende gebieden was sprake van een grote meerderheid aan Duitse stemmen. In Tønder werden 761 Deense en 2504 Duitse stemmen uitgebracht en in stemzone 2, in de plattelandsparochies ten zuiden van Tønder, was slechts sprake van enkele Deense stemmen. In de parochie Klanxbüll, op enkele kilometers van Tønder, werden helemaal geen Deense stemmen uitgebracht .

Ten noorden van de nieuwe grens was in verschillende parochies eveneens een meerderheid aan Duitse stemmen. Het grote aantal Duitse stemmen in het westelijke deel van Noord Sleeswijk komt uiteraard niet alleen van de Friezen, maar ook van andere Duitsgezinden die liever niet hadden dat de grens werd gewijzigd. - Het opkomstpercentage was meer dan 91%; er waren dus maar weinig thuisblijvers.


De markt in Tønder in de vijftiger jaren van 1900. Het pompeuze gevelhuis van Klosterbager. Zo zag de markt er vermoedelijk ook in 1848 uit, toen de Friezen hier met wapens in de hand bijeenkwamen.

Met dit stemmingsresultaat waren de mogelijkheden voor het oprichten van een Deens-Friese vereniging ten noorden van de nieuwe grens wel erg beperkt. Er werden meerdere pogingen ondernomen, maar het kwam niet echt tot resultaten. Van Deense kant kon maar weinig steun worden gekregen. – men had het druk genoeg met het installeren van een nieuwe Deense administratie in een gebied, dat verarmd was na een bloedige wereldoorlog van vijf jaar.

Zowel de Deense autoriteiten, als ook de geleerde en toonaangevende elite in Kopenhagen, hadden de Friezen en hun zaak eeuwenlang genegeerd, ongetwijfeld uit onwetendheid, maar ook door veel andere politieke en nationale problemen. Slechts een klein aantal, voornamelijk idealistische Deense onderwijzers, interesseerde zich voor de taal, de cultuur en de geschiedenis van de Friezen. Hun kennis drong echter maar zelden door tot de gewone man. In de omgeving van Tønder wist men natuurlijk wie de Friezen waren; ze waren echter beter bekend als leden van de Duitse beweging, dan als een afzonderlijk volk.

Toen Hitler in 1932 aan de macht kwam, zag de meerderheid van de Friezen in Zuid-Jutland hem als een bevrijder, die de grens weer naar het noorden zou verplaatsen. Ze sloten zich in net zo groten getale bij de nazi-partij aan, als de Friezen ten zuiden van de grens. Met het karakteristieke Friese enthousiasme en fanatisme vochten ze voor hun nazistische standpunten en hun handelwijze was niet altijd even fijnzinnig; integendeel. Er waren echter ook Deensgezinde Friezen die gefascineerd waren door de charismatische Duitse Führer.

Enkele kleine alledaagse gebeurtenissen in die tijd:

- In Skærbæk had een man zich, naar de mening van enkele Friezen, beledigend over Hitler uitgelaten. De Friezen kregen hem te pakken, trokken hem alle kleren uit en reden hem naakt met paard en wagen door de stad. Al
schreeuwend dat dit iedereen zou overkomen, die zich beledigend over de Führer zou uitlaten. De autoriteiten durfden niet in te grijpen.

- Een jong paartje had elkaar op Rømø ontmoet en ze waren verliefd geworden. De wederzijdse families waren er echter op tegen. Het meisje kwam van Holsted in Zuid-Jutland en haar moeder haatte Hitler. De Friese vader van de jongeman echter, zag de Führer als een grote openbaring. De geplande bruiloft werd bijna afgelast toen de woedende vader gewaar werd dat de dame daar hoog in Holsted haar hond "Hitler" had genoemd. Het jonge paar trouwde toch, maar verhuisde naar Sjælland, waar niemand zich voor het Fries, noch voor het Duits interesseerde.

De leider van de Deense Nazi’s, de Zuidjutse arts Fritz Clausen, was oorspronkelijk Deens gezind. Hij kreeg geen grote aanhang, al helemaal niet in Zuid-Jutland, waar veel geboren Duitsers zijn politieke opstelling te slap vonden. Er zijn voorbeelden van in Denemarken wonende Friezen die zich dan ook bij de Duitse nazipartij aanmeldden, om de "echte waar" te krijgen.

Net zoals veel geboren Duitsers, hielpen ook de Friezen de Duitse bezettingsmacht tijdens de 2e Wereldoorlog op diverse manieren – Er bestaan echter geen verhalen over oorlogsmisdaden. Velen zullen zich, zoals veel andere leden van de Duitse minderheidsorganisaties, zeker verplicht hebben gevoeld zich in Duitse dienst te melden; de meesten als zogenoemde "tijdsvrijwilligers". Zij belandden in 1945 in het Fårhuskamp en kregen kortere en langere straffen voor landverraad.

Toen ze weer thuiskwamen, merkten ze snel dat de Duitsers en hun sympathisanten in Denemarken bijzonder ongeliefd waren. Men moest zich dan ook niet te duidelijk manifesteren wanneer men in het naoorlogse Denemarken een normaal alledaags leven wilde leiden.

Alle gedachten aan een Friese vereniging in Zuid-Jutland bleven een utopie. Het ontbrak zowel aan betrokkenheid, als aan woordvoerders en leiders. Steun kon men van niemand verwachten. In het Denemarken van na de oorlog, was het niet verstandig om een Duitsvriendelijk verleden aan de dag te leggen. Duitsgezindheid was, na 5 jaar Duitse bezetting, voor een groot deel van de Denen synoniem met nazi-sympathie. Ook nu, meer dan een halve eeuw na het einde van de oorlog, kan slechts één misverstand over nazi-sympathieën genoeg zijn voor schande en uitstoting uit de "goede" maatschappij. – In het jaar 2003 moest een persmedewerker van het Ministerie van Godsdienst zijn betrekking opgeven, na ervan beschuldigd te zijn nazistische sympathieën te hebben, omdat hij een boek had gerecenseerd van een voormalige SS-officier; een boek dat overigens in het geheel niet over het nazidom ging.

Door bovenstaande gebeurtenissen vielen de dromen over een "Friesland" in Denemarken dan ook in duigen. De Friese taal stierf uit, en slechts erg weinig mensen hielden vast aan hun Friese identiteit. Veel nakomelingen vergaten hun "roots"; sommigen omdat men het verleden het liefst wilde vergeten, anderen omdat men zich er niet voor interesseerde!

Er zijn later nog enkele pogingen ondernomen om Friese verenigingen en studiekringen in de gebieden ten noorden van de grens op te richten. De interesse was echter zo klein, dat er geen basis voor was. Men zegt weliswaar dat in de omgeving van Kopenhagen een kleine Deens-Friese vereniging zou bestaan, maar die leidt kennelijk een erg stil leven.

Het had anders kunnen lopen wanneer het Noordfriese volk niet bij die grote nationale Duits-Deense botsingen in de knel was gekomen en wanneer de politieke omstandigheden anders zouden zijn geweest. De Friezen zijn ondanks alles een volk, waarvan burgers eeuwenlang als onderdaan van het Deense rijk hebben geleefd. Zij zijn de voorouders van veel Denen, ondanks het feit dat die hun "roots" hebben vergeten.