De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De Friezen in Zuid-Jutland > Exotische vrouwen

Exotische vrouwen

Tot het moderne badtoerisme op de uitgestrekte zandstranden ongeveer 150 jaar geleden begon te floreren, leefde men op de meeste eilanden echt geïsoleerd, omdat de mogelijkheden om naar de andere eilanden of het vasteland te gaan, beperkt waren.

Twee keer per etmaal waren de vaarroutes bij laag water onbegaanbaar. Als er met vloed een behoorlijke golfslag was, was het in de veerboten met hun platte bodems geen prettig vertoeven.

Anderzijds deden de eilandbewoners, wanneer de zeelieden van hun vele reizen terugkeerden en vertelden hoe de wereld er uitzag, wel de belangrijkste nieuwe indrukken en ervaringen uit de grote buitenwereld op. Zij hadden vreemde talen geleerd en brachten nieuwtjes en spannende verhalen, als ook nieuwe en zeldzame dingen mee naar huis. Daarnaast namen ze ook nieuwe standpunten en meningen en soms een exotisch uitziende echtgenote of
geliefde mee, die dan, wanneer de mannen vroeg in het jaar weer naar zee gingen, op de door vrouwen gedomineerde eilanden werd achtergelaten.

De beïnvloeding vanuit het buitenland drukte zowel op de mensen, als op de taal, de bouwstijl, de gewoontes en natuur en landschap in de omgeving van West-Sleeswijk, een stempel. Vandaar de interessante bewering, dat het twijfelachtig is, of er so wie so wel een eigen Friese cultuur bestaat, maar dat er daarentegen sprake is van een culturele diversiteit, die zoveel elementen van elders in de wereld in zich heeft, dat die uniek is in de wereld.

De Fries/Nederlandse invloed is onmiskenbaar te vinden in de oude architectuur. Op Rømø, Manø en Fanø zijn de huizen gebouwd van donkere stenen, die waarschijnlijk van Sylt of För werden gehaald, want op de drie bewoonde Deense eilanden komt geen klei voor. Het dak van de schuur werden met riet en het woonhuisdeel met dakpannen gedekt, waardoor de wind er minder vat op had. Om dezelfde reden stonden de huizen altijd in een oost-west lijn, met het woongedeelte aan de oostkant en de stal en schuur aan de westkant, ten-einde luwte te geven. De overeenkomsten in de gebruiken en de oude feest- en klederdrachten getuigen duidelijk van Friese invloeden.

Qua stijl zijn in de klederdrachten veel overeenkomsten met Nederland terug te vinden. Dat geldt ook voor het oude Amager, dat in de 16e eeuw werd bevolkt door vlijtige Friezen en Nederlanders. Zij werden door koning
Christian de Tweede uitgenodigd dit grote Sjællandse eiland bij Kopenhagen in cultuur te brengen.

Op Rømø, het grootste van de Deense Waddeneilanden, is het Deens eeuwenlang de dominerende taal geweest en de bewoners hebben zich ook Deens gevoeld. Het is vermoedelijk honderden jaren geleden dat er Fries op Rømø werd gesproken, ondanks het feit dat dit eiland van het huidige Deense grondgebied nog de meeste gelijkenis vertoont met het Friese buureiland Sylt.

Afgezien van de heel vroege architectonische- en beroepsmatige sporen, moet men diep graven om een Fries verleden te vinden. Toch heeft Rømø wel een Friese naam. In het Fries wordt het namelijk Rem genoemd.

Zonder een taalkundige referentie en zonder gevonden schriftelijke bronnen is het moeilijk de vermoedens over een Friestalig verleden op Rømø te onderbouwen. Mogelijk zou geslachtsonderzoek hier nog sporen kunnen opleveren.

Indien men meer over de oude, hoog in aanzien staande, commandeurs op Rømø aan de weet wil komen, dan moet men de kerk op Rømø eens bezoeken. Deze kerk heet natuurlijk Sint Clemens, naar de heilige van de zeelieden. Op het kerkhof staan veel imposante grafstenen, die vertellen over de commandeurs, hun gezinnen, schepen en reizen. In het jaar 1770, de bloeitijd van het eiland, toen de walvisvangsten op hun hoogtepunt waren, woonden er op Rømø zo’n 40 commandeurs. De namen van de meesten zijn bekend.

Een studie over familienamen heeft haar beperkingen omdat de meeste mensen, net als veel anderen aan de Sleeswijkse westkust, Deense namen hebben die op "sen" eindigen. Gelukkig hebben echter veel van hun nakomelingen, waarvan er nu nog steeds veel op Rømø wonen, bijzonder ijverig het verleden van de familie onderzocht en opgeschreven. Enkelen hebben hun resultaten op het internet gezet. Hier kan dan ook veel interessante informatie worden gevonden over de oude zeerotten en boeren.

Informatie over de namen toont aan dat de oude families op Rømø, met name binnen de boeren- en de zeemansfamilies, vaak binnen de familie trouwden. Een commandeurszoon moest een commandeursdochter hebben en omgekeerd. Men trouwde zelden met iemand van buiten het eiland of van de buureilanden. Er wordt beweerd dat die tradities op alle noordelijke eilanden in ere werden gehouden en dat waarschijnlijk daarom vele generaties lang dezelfde families op de eilanden hebben gewoond. – Misschien ook wel in een vroegere Friese tijd.

De familiestambomen getuigen echter ook van wijdverbreide familiebanden met andere Friese eilanden, met het vasteland en met de rest van Denemarken, Duitsland en Nederland.

Eén van de beroemde commandeurs was Hans Hansen Tønnies junior, van Tvismark op Rømø, die in 1771 naar List op de noordpunt van Sylt verhuisde. Hij ving in de loop van 36 jaar 116 walvissen en veel meer dan 50.000 zeehonden. De familienaam Tønnies is wijd verbreid en wordt onder anderen door een bekende familie in Husum gevoerd. Heden ten dage is de "Tønnisgård", de oude, met riet gedekte commandeursboerderij bij Kongsmark op Rømø, ingericht als natuur-educatiecentrum. Men kan hier verschillende tentoonstellingen over de cultuur en de natuur van Rømø bezichtigen.

Een familielid van hem uit dezelfde tijd was commandeur Hans Engelbret Bleeg, die in Tvismark werd geboren en daar ook overleed. Ook hij had veel familieleden, die naar zee gingen. Zijn familienaam komt zowel in Nederland, Denemarken als Duitsland voor, vooral langs de Waddenzeekust.

Op Rømø wordt een zogenaamde "bindbrief" uit het jaar 1842 bewaard. Die uitdrukking komt van het Friese woord "bine" dat "binden" betekent. Deze brief verplicht de ontvanger een gift te doen, wanneer hij het raadsel in de brief niet kan oplossen. De brief werd naar de commandeur Engelbret Petersen Siewerts in Tvismark gezonden en eindigt met een mooie wens:

"Ik wens jou zoveel goede jaren, als er zand in de zee is,
en zoveel goede dagen, als er sterren aan de hemel staan.
Wij wensen jou allereerst een vrouw zo lief,
Dat jij met heel veel liefde kunt leven".
Jouw Vrienden

De vrienden waren de commandeurs Frederich W. Wandahl en Mathias C. Kræmer, alsmede Wandahls echtgenote, Margaretha Elisabeth Wandahl, geboren Petersen.

De genoemde commandeurs waren allen familie van elkaar. Tønnies, Bleeg, Siewerts, Wandahl en Kræmer behoren tot de oude Rømø-families. Ook fami-lienamen als List, Engelbretsen, Falk, Petersen Præst en Mærsk Møller behoren daartoe, net als ook de vele op "sen" eindigende namen.

De familieboerderij van de familie Mærsk Møller stond in Østerby. De tussennaam komt van Kiersten Pedersdochter Mærsk, die in 1835 op Rømø met stuurman H. P. P. Møller trouwde. Zij kwam uit een boerengeslacht, afkomstig uit West-Sleeswijk. De eerste bekende drager van de naam was Anders Nielsen Mersch, de van 1617 tot 1698 in Ballum woonde.

- de familie Mærsk Møller behoorde tot een familie van uitgesproken zeelieden, stuurmannen en commandeurs, die uiteindelijk stamvader werden van de grootste en rijkste Deense redersfamilie.

Ook een aantal andere grote Deense rederijen, zoals bijvoorbeeld DFDS, Torm en Dansk-Fransk, hebben een Rømø-verleden.

Andere grote commandeursfamilies waren With, Degn, Carl, Tagholm, Boysen en Manøe.

In hoeverre deze zeemansfamilies van Rømø ook Friese voorouders hadden, komt niet direct tot uiting in de familiestambomen. Meerdere families woonden en werkten echter vele eeuwen op de eilanden, misschien ook wel in de tijd dat de Friese taal over heel Sleeswijk verbreid was. De familienamen zijn een zekere vingerwijzing daarvoor. Familieonderzoeken tonen aan dat de bevolking van het eiland veel onderlinge familiebetrekkingen had – en nog steeds heeft – zowel op Mandø en Fanø, als ook op Sylt, Amrum, För en andere Friestalige gebieden. Veel van de namen zijn te vinden in het overzicht met familienamen met Friese banden aan het slot van dit boek.

Alle bewoners van Noordwest Sleeswijk werden officieel tot de Noordfriezen gerekend. – In 1780 vaardigde de Deense koning een verordening uit over het opheffen van vrijstelling in marinedienst voor de Noordfriese eilandbewoners, die als Deense onderdanen met Hamburgse schepen op Groenland voeren. Van de kansel in de kerken werd bekendgemaakt, dat in het vervolg niemand zeereizen het land uit mocht maken, of op vreemde schepen in dienst mocht treden. Het land had zelf behoefte aan haar zeelieden. Dat belette de bewoners van Rømø evenwel niet om in Hamburg aan te monsteren. In 1883 werd de verordening opgeheven omdat zij voor de Noordfriese zeelieden aanleiding gaf tot diverse problemen.

De bewoners op de verschillende eilanden waren scheepskameraden op vele vaartochten.

In de periode 1761 to 1839 werd geregistreerd dat er 1713 schepen van Hamburg naar Groenland uitvoeren. Zij hadden in totaal 65.157 zeelieden aan boord. Hiervan kwamen er 13.065 van de streken aan de Westkust. Daarvan kwamen er weer 6.237 van Rømø, 5.644 van För, 529 van Sylt, 344 van Amrum, 61 van Helgoland, 2 van de halligen en 348 van het Noordjutse vasteland (bron: Fritz Joachim Falk: "De commandeurs en zeilbootkapiteins van Rømø).

Een zichtbare en erg interessante herinnering aan een commandeursbestaan op de grote wereldzeeën van iemand van Rømø is te zien in het Friezenmuseum in Wyk, op För. Na een lang leven op zee, vestigde kapitein Josias Andreasen van Sønderby op Rømø, zich in 1878 in Wyk, waar hij trouwde met een rijke weduwe. Zijn zoon Kertel Andreasen liet de hele erfenis na aan het museum. Daar waren onder andere grote schilderijen bij van enkele schepen, waarop zijn vader had gevaren, zoals bijvoorbeeld de brik "Railway", de bark "Seame bridge" en de veelmaster "Resulute".

Eén van de oude gebruiken van de eilandbewoners van Rømø, die gelijkenis vertoonde met die van bewoners van de andere Noordfriese eilanden, was de zogenoemde "Biike". Dit werd later op enkele eilanden een algemene feestdag. "Biike" is Fries voor "brandstapel" en heeft ook te maken het Engelse "beacon", dat "baken", of "vuurtoren" betekent. De Biikedag was oorspronkelijk op 21 februari. Dan werden er na een gegeven sein honderden vuren op het strand ontstoken, zowel op de eilanden, als op het vasteland. De dag daarna, Per’s dag (Sint Petersdag), vond het gezamenlijke vertrek van de zeelieden plaats. In kleinere jollen voer men een eind zuidwaarts de Waddenzee op naar de vertrekhavens. Met de smalle boten en de vele mensen die aan boord waren gepropt, was het geen ongevaarlijke vaartocht over de gevaarlijke Waddenzee. Veel zeelieden kwamen dan ook bij deze tochten om het leven.

De vuren op het strand moesten de winter wegjagen en het begin van een nieuw vangstseizoen daar boven in de IJszee, tussen Spitsbergen en Groenland, inluiden. Tegenwoordig is het maken van vuren een zomeractiviteit voor toeristen, gearrangeerd door de lokale vvv’s.

De vele commandeurs van Rømø namen vaak een twintigtal zeelieden mee van hun thuiseiland; scheepsjongen, jongvolk, matrozen, en stuurmannen. Vaak waren het familieleden, zoals zoons, zwagers, neven en kleinkinderen. Het was niet ongewoon dat de zoon van de commandeur stuurman was. De jongens begonnen met het zeemansleven omstreeks hun 10e jaar, wanneer ze als scheepsjongen uitvoeren. Aan boord werkten ze zich dan langzamerhand op en eindigden als harpoenier, stuurman, of uiteindelijk commandeur. Zo deden ze een uitgebreide kennis van het zeemansleven op en hadden ze voldoende bagage, wanneer ze stuurman of kapitein werden.

De commandeurs van Rømø stonden dan ook bekend als ervaren schippers, die het commando kregen over grote zeilboten met als thuishavens Hamburg, Altona, Flensburg, Glückstadt, Aabenraa, Kopenhagen, Tønder, Ribe, als ook Nederlandse havens.

Omstreeks 1630 monsterden veel Noordfriezen aan op buitenlandse walvisschepen. Er verliep echter maar korte tijd, voordat de Friezen hun eigen walvisvloot oprichtten. De eerste poging om voet op eigen dek te krijgen, in de strijd om de kostbare zeedieren te vangen, was van 1692. De vloot – twee schepen- ging echter verloren. Het ene verging; het andere werd door zeerovers gekaapt. Na veel pogingen kwam men in 1746 echt op gang. Met goedkeuring van de koning werd Wyk op För de zetel voor de "Groenlandse Compagnie". Wyk had een groot voordeel. De haven is hier altijd ijsvrij en de walvisvaarders konden daarom vroeger naar zee gaan dan de schepen van andere havens. Enkele jaren later, omstreeks 1770, beschikte ook Tønder over een kleine walvisvloot, die door een bijdrage van de staat en belastingvrije invoer werd gesteund.

De schippers en commandeurs op Rømø hebben de navigatie waarschijnlijk op het eiland onder de knie gekregen, zonder dat er een officiële school bestond. Die kwam in 1697, toen Jesper Ørum het koninklijke privilege kreeg om een zeevaartschool te gaan exploiteren. Er was voor het begin van de 19e eeuw geen examenplicht en vermoedelijk hebben veel commandeurs hun zoons zelf les in navigatie gegeven. De eerste echte zeevaartschool in Denemarken werd in 1860 op Fanø opgericht. Voor die tijd gingen veel jonge Fanikers naar För om examen te doen en hun stuurmansdiploma bij de erkende leermeesters te halen.

Tegen het einde van de 19e eeuw liep de zeevaart van Rømø sterk terug. De ijzeren stoomschepen volgden de grote trotse zeilschepen, die van de windzones afhankelijk waren, op. De ijzeren schepen waren stabieler en de zeilschepen werden, niet zonder reden, gezien als een bijzonder gevaarlijke werkomgeving. Het aantal volledige vermissingen was verschrikkelijk hoog. De helft van de zeilschepen die uitvoeren kwam nooit weer thuis. Daarom gaven veel jonge zeelieden er de voorkeur aan, om aan te monsteren op de stoomschepen.

De zeilschepen werden uit de vaart genomen en de commandeurs vestigden zich elders in Denemarken of Duitsland. Enkelen gingen terug naar hun boerderijen op Rømø, waar ze zich, vaak tot niet gering verdriet van hun echtgenotes die gewend waren daar de beslissingen te nemen, wel zullen hebben gestort op het runnen van de boerderijen.