De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De Friezen in Zuid-Jutland > Friezen in het gebied rond Tønder

Friezen in het gebied rond Tønder

In de meest zuidwestelijke hoek van Zuid Jutland, het gebied rondom Tønder, hield de Friese taal het langst stand. In de dertiger jaren van 1900 woonden hier nog veel Fries sprekende families.

Redacteur Bent Slot, die opgroeide in Tønder, vertelt dat in zijn kindertijd, toen de familie een tante in Møgeltønder bezocht, er gelijktijdig zowel Deens, Duits, als Fries werd gesproken. Hij kan zich nu nog steeds enkele Friese
woorden herinneren.

Na de 2e Wereldoorlog bestond ten noorden van de grens het Fries feitelijk niet meer; mogelijk spraken een paar oude mensen het nog.

De meeste Friezen in de omgeving van Tønder woonden op hun boerderijen op de marsgronden. Enkelen verhuisden echter ook naar de stad. De op het stadhuis van Tønder bijgehouden kadastrale lijst van personen, die van 1700 tot 1869 de burgereed aflegden en daarmee burgerrechten in de stad kregen, bevat 79 personen die uit de Fries sprekende omgeving kwamen. Zij maakten als zodanig deel uit van de bovenklasse van de stad, die voor het grootste deel bestond uit kooplieden en rijke handelaren.

Er zijn echter met grote zekerheid nog veel meer Friezen in de stad geweest, omdat er geen rekening werd gehouden met de veel groter in aantal zijnde onderklasse. Die bestond uit alle bedienden, niet zelfstandige arbeiders en zogenoemde "oneerlijken", die niet tot de echte burgers werden gerekend. De Friezen zijn dus een herkenbaar deel van het stadsbeeld geweest, maar woonden elders, zoals gezegd voor het grootste deel op hun boerderijen buiten op de marsgronden.

Ze stonden bekend als mensen die hardnekkig aan hun mening vasthielden. – In 1797 belegerden de Friezen het gemeentehuis in Tønder om te protesteren tegen de invoering van een nieuw gebedenboek.

In 1848 vond het Sleeswijk-Holsteinse oproer plaats en werd er een voorlopige regering gevormd.

Het stadsbestuur in Tønder twijfelde er in het begin sterk aan of ze die regering wel zouden erkennen, omdat het Deense element sterk in de stad was vertegenwoordigd. Vooral onder de "kleine man" bestond sympathie voor de Denen, terwijl de Duitsgezinde burgermeerderheid de Sleeswijk-Holsteinse kant koos. Het stadsbestuur vreesde onlusten. In die situatie boden de Friezen uit de stad en uit de omgeving aan om Tønder te hulp te komen tegen de Denen. Aan de Friezen werden echter verzocht zich rustig te houden.

Deze gebeurtenissen wekten in het ontstane nationale conflict natuurlijk woede op en er werden tegenstellingen geschapen. Vermoedelijk heeft er echter nooit een bijzonder hartelijke verhouding tussen de Denen en de Friezen bestaan - hoewel er in het alledaagse leven ook weer geen sprake schijnt te zijn geweest van zoiets als een echte vijandschap.

Wanneer men de mythen uit vroegere tijden mag geloven, dan zijn de Denen en de Friezen weliswaar een soort neven, maar veel sagen en kronieken vermelden toch meerdere malen, dat ze conflicten en oorlogen met elkaar hadden. Er bestond geen twijfel over, dat de Denen in veel gevallen bang waren voor de Friezen, die bekend stonden als wat heetgebakerde mensen.

Marskramer Jens Wulff vertelt in zijn dagboek over een episode rond 4 april 1848, toen een eenheid van het Deense leger kort na het begin van de oorlog Tønder was binnengetrokken. Dat gebeurde zonder tegenstand en met goedkeuring van de stadsraad. Men vreesde niettemin onlusten. Alles verliep echter vreedzaam en Wulff, die op die dag in de stad verbleef, ging gerust terug naar Bredebro. Midden in de nacht echter, werden hij en zijn huisgenoot op order van districtsvoogd Brasen gewekt. Hij verordonneerde dat alle weerbare mannen van 18 tot 60 jaar bewapend en vastberaden de Denen in Tønder te hulp moesten komen. Men vreesde namelijk dat de Friezen, die in groten getale bij de stad zouden zijn aangekomen, hun ontevredenheid over de aanwezigheid van het Deense leger kenbaar zouden maken en tot de aanval op de Deense soldaten zouden overgaan.

De districtsvoogd verzamelde een grote plaatselijke groep uit de steden Bredebro, Abild, Løgumkloster en Møgeltønder en men ging op weg naar Tønder. Toen ze daar in de morgen aankwamen, bleek dat alles rustig in de stad was. ‘s Middags ging men, na een kort oponthoud in Møgeltønder, waar men een exercitie hield, weer naar huis.

De Deense soldaten durfden echter niet in Tønder te overnachten. Ze
sloegen het kamp op buiten de stad. De volgende morgen trokken ze zich terug in Møgeltønder. Ze dachten daar veiliger te zijn.

Wulff schrijft verder, dat het allemaal vals alarm was. De Friezen zaten rustig thuis en zaten zich ongetwijfeld te verkneuteren over het feit, dat de Denen zoveel vrees en respect voor hen hadden. Wulff was er van overtuigd dat de plattelandbewoners uit de omgeving niet echt van plan waren rellen te veroorzaken, maar zich beperkten tot het verdedigen van zichzelf en hun eigendommen. Toch waren de Friezen de Deense autoriteiten vijandig gezind.

Op 24 april had zich een grote groep Friezen in Tønder verzameld en zich op de markt opgesteld, gereed om de Duitse troepen, die onderweg waren, te helpen. In de loop van de dag verlieten alle Deense troepen echter stad en omgeving en de Duitsers trokken binnen. Er was dan ook geen behoefte aan steun van de Friezen.

Het dagboek van Wulff is een unieke beschrijving van het dagelijks leven in een dramatische periode. Het bevat veel nauwkeurige beschrijvingen van het normale leven tijdens een oorlog, die zo veel vijandschap en haat onder de bevolking teweegbracht. Het kwam tot gevechten, vernielde ramen, arrestaties en vervolging van degenen, die andere nationale opvattingen hadden. Er zijn voorbeelden van overvallen op Deense soldaten. In juni 1850 ranselden
Duitsgezinde burgers in Højer een Deense luitenant Halle af en joegen hem de stad uit. Wulff schrijft dat de Friezen in de nabijheid zich rustig hielden - dus opnieuw een uitgesproken vrees voor de Friezen. Op 18 augustus werd ene luitenant Hammer, met een kleine groep Deense soldaten, door een groep Friezen in Niebüll aangehouden en verhoord. Toen hij hen echter met zijn pistool bedreigde werd hij weer vrijgelaten.

De Friezen waren actief aan Duitse zijde. Wulff schrijft over een groep boeren, die vermoedelijk bestond uit de Friese plattelandsbevolking, die provocerend optrad tegen de Denen en de Deense ambtenaren, die werden ingezet na het oprukken van het Deense leger Zij moesten haastig vluchten toen de oorlogsresultaten zich omkeerden.

Er was ook geen sprake van goede verhoudingen tussen de Friezen en de Denen die de Friese streken langs de Waddenkust binnentrokken. Over de Friezen, die wel doorvoed en goed op hun boerderijen op de marsgronden zaten, wordt verteld dat ze met verachting neerkeken op de arme Deense immigranten, die zich op de slechtste gronden in leven moesten houden. De Friezen noemden hen honend "aardappeldenen". Daarmee worden de gebruikelijke sociale tegenstellingen uit die tijd wel heel duidelijk aangegeven.


Deel van een kaart die respectievelijk het Deense het Duitse aantal stemmen weergeeft bij de volksverkiezing in 1920. Zoals is te zien, waren er erg weinig Deense stemmen in de westelijke gebieden, waar de Friezen hoofdzakelijk woonden

Verreweg de meeste Friezen waren Duitsgezind en de Denen, die de Friezen niet als een minderheid onderscheidden, hebben hen zonder meer volledig als Duitsers beschouwd. De meerderheid van de Friese gebieden zocht toenadering tot de Duitsers, zowel in 1848, 1864, 1920, als ook in 1945.

Elke keer weer werden er van de Deense kant halfslachtige, en dus vergeefse, pogingen ondernomen, die stemming in Deense richting om te buigen.