De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De Friezen in Zuid-Sleeswijk

De Friezen in Zuid-Sleeswijk

De politieke situatie van de Friezen in het gebied dat vandaag de dag Zuid-Sleeswijk, respectievelijk Zuid Jutland heet, ontwikkelde zich heel anders. Voor de duidelijkheid moet in dit hoofdstuk iets over de geschiedenis worden uitgelegd. De mensen die zich Friezen noemden vonden zichzelf natuurlijk tot hetzelfde volk behoren, ongeacht waar de landsgrens werd getrokken. In het bijzonder in de 20e eeuw, hadden de grenswijzigingen tot gevolg dat het voor verscheidene mensen slechts van toeval afhing of men nu een Fries ten zuiden, dan wel ten noorden van de grens van 1920 werd.

De taalaffaire en de behoefte aan erkenning van hun taal bestond voor de meer nadenkende Friezen al in het begin van 1800. Pas tegen het midden van de eeuw echter, werd de Friese aanspraak op culturele en taalkundige gelijkberechtiging evident. In eerste instantie domineerde de gedachte aan Fries zelfbestuur binnen de Deense eenheidsstaat. Die gedachte werd echter al gauw overstemd door het nationalistisch gebral tijdens het Deens-Duitse conflict.

Het was moeilijk zich buiten dat nationale conflict te houden, ook al wilde de meerderheid van de Friezen zich daar vermoedelijk het liefst zo weinig mogelijk in mengen.

Marskramer Jens Wulff Bredebro, die bij het uitoefenen van zijn beroep gedurende een halve eeuw onafgebroken tussen Jutland en Holstein, in het bijzonder tussen Tønder en Husum, heen en weer trok, vertelt in zijn dagboeken levendig over de verhoudingen rond de eerste Sleeswijkse oorlog van 1848 tot 1850. In die tijd golfde het front heen en weer. De haat tussen de Denen en de Duitsers was groot en bracht scheidingen teweeg tussen families, vrienden en buren. Het kwam in West-Sleeswijk tot veel gewelddadige gebeurtenissen met gevechten onder de burgerbevolking, boerderijbranden, het ingooien van ramen en het gooien met stenen Ook moesten predikanten, leraren en ambtenaren soms in het holst van de nacht vluchten. Vaak wist men niet, wie de overheid was. Onder deze verhoudingen was het onmogelijk zich van een standpunt te onthouden. Het hoeft dan ook geen verwondering te wekken dat het grootste deel van de Friezen de Duitse, of beter gezegd de Sleeswijk-Holsteinse kant koos.

De Friezen waren immers sinds meer dan een eeuw gewend om in school, in de kerk, in rechtszalen, als ook in de literatuur en pers met de Duitse taal te leven. In Denemarken wist men niet veel van de Friezen en zij wisten op hun beurt slechts weinig van de Deense verhoudingen. Veel van hen konden dan misschien wel het Zuidjutse dialect praten en verstaan; er waren er slechts weinig die het Rijksdeens konden lezen of schrijven. Gedurende vele jaren werden zij, zoals al gezegd, vanuit Kopenhagen geregeerd door Duitstalige ambtenaren, die vermoedelijk slechts weinig van de Friezen en hun taal wisten en die hen als een Duits volk beschouwden.

Zoals ook anderen in Sleeswijk-Holstein, vonden de Friezen, dat hun land op een dwaze manier, bijna als een kolonie, vanuit Kopenhagen werd geregeerd door een regering met een onwetende alleenheersende koning als stroman.

Wanneer men alle nationale retoriek buiten beschouwing laat, dan was het een gegeven dat Denemarken op veel plaatsen in Europa werd gezien als een land, dat wij vandaag de dag als een bananenrepubliek (zij het zonder bananen) zouden betitelen. De verhoudingen in Sleeswijk-Holstein waren, naar de mening van veel mensen die het konden weten, beter dan in het overige deel van het Deense koninkrijk.

Men besefte misschien ook wel dat er iets aan de hand was met het Oldenburgse koningshuis, dat bezig was te degenereren.

Eén van de koningen, Christian de Zevende, was zonder twijfel geestesziek, en zijn echtgenote deelde het bed met haar lijfarts, de Holsteiner Struense. Dit was een soort boer, die op een beestachtige wijze terechtgesteld werd na een staatsgreep in Kopenhagen. Nóch Christiaan de Achtste, nóch Frederik de Zevende konden kinderen krijgen. Frederik de Zevende was een merkwaardige, aan alcohol verslaafde man, die zoiets ongehoords deed als in het huwelijk te treden met een mooie voormalige balletdanseres. Omdat de laatste twee koningen van het Oldenburgse Koningshuis kinderloos waren gebleven, zou normaliter de gerespecteerde Sleeswijk-Holsteinse edelman, de hertog van Augustenburg, een logische troonopvolger zijn geworden. Hij was echter getrouwd met een Deense prinses, waarvan men aannam dat het een dochter van Struense was. Met haar als koningin kon hij daarom niet op de troon worden geaccepteerd.

Dat was vermoedelijk mede aanleiding tot het oproer, waartoe de zoons van de hertog het initiatief namen en dat in 1848 tot de Sleeswijkse oorlog leidde. Later lokten de Denen (Kopenhagenaars) de dwaze oorlog van 1864 uit. Zelfs de nieuwe koning was tegen deze oorlog. Het militair zwakke en onvoorbereide Denemarken kon deze oorlog alleen maar verliezen.

Het Deense staatsbestuur had onder grote delen van de Sleeswijkse bevolking bepaald niet de beste reputatie.

Undermenu