De periode onder het Hitler-bewind

Ondanks de grote nationale controverses streden beide verenigingen voor steun voor de Friese taal. Daarbij werden enkele resultaten bereikt. In 1925 stond de minister-president in Sleeswijk toe dat bij gelegenheid het Fries in het schoolonderwijs mocht worden ingevoerd, wanneer dat op basis van vrijwilligheid gebeurde. Toen in 1928 de Friese taalproblemen langzamerhand een brandende zaak waren geworden, werd er in het Friese taalgebied wekelijks een uur Fries toegestaan.

Opnieuw was de vreugde slechts van korte duur, omdat de nazi’s snel in opkomst waren. Verscheidene Friezen werden gegrepen door Hitlers motto over "Blut und Boden" (bloed en aarde) en de verbondenheid van de volkeren met het behoud van het volkseigene. Ondanks een propagandistische wijze van optreden in het begin, kregen de nationaal-socialisten echter toch geen echt grote bijval onder de Friezen, met hun traditionele gebrek aan politieke interesse. Door de landbouwcrisis in de twintiger jaren, die de boeren, zowel ten noorden als ten zuiden van de grens, hard trof, kregen de Nazi’s echter meer en meer de wind in de zeilen. De meerderheid van de Friezen raakte er toen van overtuigd dat Hitler de man was, die de normale toestanden weer kon terugbrengen. Bij de verkiezingen in 1932 stemde meer dan 70% van de bevolking van Noord-Friesland op Hitler.

Op 23 april 1932 bezocht Hitler Flensburg, waar hem een geestdriftige ontvangst ten deel viel, onder meer door een delegatie van För, bestaande uit mooie jonge meisjes in hun mooie Föringer klederdracht,.

De Friezen die in de toezegging van de nationaal-socialisten voor grotere Friese zelfstandigheid hadden geloofd, kwamen al snel bedrogen uit. De
Noordfriese vereniging had zich in 1933 "geheel en al en zonder voorbehoud" achter de nieuwe regering geschaard. Het werd echter al snel duidelijk dat de nazi’s totaal geen interesse hadden in steun aan de niet-Duitse Friese taal.

Protesten hielpen niet, en de voorman, dr. Rudolf Muuss werd gedwongen af te treden. Langzamerhand namen de nazi’s de leiding van de vereniging volledig over. De Friese jaarvergaderingen in 1937 en 1938 in Niebüll werden tot nazistische massamanifestaties.

De nazistische "Heimatbund Nordfriesland" werd langzamerhand door veel Friezen genegeerd en de enkeling, die de nazi’s openlijk tegenwerkte, kreeg te maken met pesterij en vervolgingen. De Friese dichter Jens Mungard van Sylt overleed in 1940 in het concentratiekamp Sachsenhausen.


Een Friese taalbeijveraarster in Noordfriesland, mevrouw Marie Tångeberg, die gedurende vele jaren schoolhoofd was van de Deense school in Risum, waar de leerlingen ook nu nog les krijgen in het Fries. Hier staat zij, samen met haar drie dochters en haar kleinkind, gefotografeerd voor haar woning in Efkebüll, waar het Fries nog steeds de moedertaal is.

De weinige Deens georiënteerde Friezen in de Fries-Sleeswijkse Vereniging zetten na 1933 hun werk voor erkenning van de Friese minderheid voort. Dit was echter maar van korte duur. Al snel kreeg de voorzitter en oprichter van de vereniging, Johannes Oldsen, een schrijfverbod en huisarrest. Daarna bestond de vereniging zo goed als niet meer.

Uiteindelijk werd het in 1938 verboden in het openbaar te praten over een eigen Fries volk en over de Friezen als nationale minderheid.

Kenmerkend was het lot dat de familie Thamms in de nazi-periode trof. Emil Thamms uit Husum had in 1937 zijn vier kinderen aangemeld voor de Deense school in Tønder. Toen de ouders dat weigerden te doen, werden de kinderen er door de Duitse politie af gehaald. Als zij de Hitlergroet niet wilden brengen, zouden de kinderen van de ouders worden afgenomen. Dat gebeurde dan ook. De ouders werden gearresteerd. Thamms belandde in het concentratiekamp. Hij overleefde dat en kwam in 1945 weer thuis. Korte tijd daarna overleed hij echter.

Het vroegere schoolhoofd, mevrouw Marie Tångeberg uit Efkebüll, die benadrukt dat zij nóch Deense, nóch Duitse, maar Friezin is, vertelt over die moeilijke tijden:

"Het werd gezien als iets erg verschrikkelijks, wanneer men vertelde dat men Fries was. Als men daarbij dan ten overvloede ook nog zei dat men sympathie voor de Deense zaak had, dan werd het heel gevaarlijk. Op de school in Risum werd, net als overigens op alle andere scholen, alles wat over Friesland ging, verzwegen. Daarnaast werd het de kinderen ook verboden in de pauze Fries te spreken. In feite is het ongelooflijk dat de taal onder die culturele tortuur heeft kunnen overleven".