De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De Friezen in Zuid-Sleeswijk > Volksvergadering in Bredstedt

Volksvergadering in Bredstedt

De droom van de Sleeswijk-Holsteiners was een zelfstandige staat, bestaande uit de 2 hertogdommen, aangesloten bij de Duitse Bond. Die eis werd meer en meer uitgesproken en leidde in 1848 tot een gewapend oproer.

Vanuit de Deens sprekende noordelijke gebieden komt tegelijkertijd de eis dat Sleeswijk meer aansluiting bij Denemarken moet zoeken en dat de onderdrukte Deense taal in de zuidelijke gebieden moest worden gesteund. De grote nationale vergaderingen in 1843 bij de Skamlingsbank, ten noorden van de rivier de Konings , kregen grote betekenis voor de Deense taalaffaire in Zuid Jutland.

Men verwachtte ook bij de Friezen een nationalistische opleving en dat zij zich van hun Fries-zijn bewust zouden worden. Een kleine groep Friezen, die de interesse van de Friezen voor een gezamenlijke Friese schrijftaal en de uitgave van een weekblad probeerde te wekken, was in 1844 de initiatiefnemer voor een groots opgezet Friezenfeest in Bredstedt. Men hoopte dat het een soort Fries Skamlingsbank-feest zou worden.

Inspecteur Carstens uit Lindholm leidde de bijeenkomst in met een toe-spraak en sloot die af met het uitbrengen van een "leve de koning en de hertogen". De daarop volgende sprekers zetten de snel veranderende stemming in de vergadering om in een tumultueuze pro-Sleeswijk-Holsteinse bijeenkomst.

Marskramer Jens Wulff was die dag in Bredstedt en verhaalt, dat er vele duizenden mensen waren samengekomen en hij schrijft in zijn dagboek: "Dat amuseerde en interesseerde mij nog het meest: veel Friezen spraken Fries. Er waren echter te veel sprekers, ze praatten te lang en ze zetten voornamelijk aan tot haat jegens de Denen. Dat ergerde en verveelde mij, zodat ik de bij-eenkomst om 4 uur verliet".

Een vergelijkbare Friese volksvergadering in 1848 verliep al net zo, toen spreker na spreker agiteerde voor aansluiting van Sleeswijk bij een Duitse republiek of een Duitse monarchie.

Deze bijeenkomst werd op de markt in Bredstedt gehouden. De hoofd-spreker, die grote verwachtingen wekte, was de Friese vrijheidsstrijder Harro Harrings uit Vobenkol, een rusteloos en fanatiek figuur, die in die tijd aan de meeste revolutionaire bewegingen deelnam. Hij was eigenlijk gemigreerd naar de Verenigde Staten, maar had dominee Christian Feddersens boeken en geschriften gelezen. Hij keerde terug toen hij werd gegrepen door het idee van een zelfstandig Friesland. Hij droeg tijdens de bijeenkomst met zijn landgenoten het zwaard op de heupen. Door een meeslepende retoriek kreeg hij veel bijval. Zijn programma was "een vrij en eensgezind vaderland van de rots bij de Noordkaap tot het strand van de Eider" met Noordfriesland als een vrijstaat onder bescherming van Denemarken.

Hij hield een vlammende toespraak. Tot het laatste moment droeg hij daarbij zijn zwaard, zwaaide er mee boven zijn hoofd en riep over de verzamelde mensen "wij zullen vrij zijn, zoals onze voorvaderen!"; lwer ddj as slaaw" (liever dood dan slaaf).

Harro Harrings was echter een veel te grote fantast, wiens hoogdravende ideen veel Friezen moeilijk serieus konden nemen. Daarom konden de
Sleeswijk-Holsteiners, met hun woorden over Friezen als een Duitse stam met onverbrekelijke banden met de Duitse cultuur, de vergadering weer voor hun karretje spannen. Tegelijkertijd verklaarden zij het Friese spreekwoord "Lwer ddj as slaaw", over de slavernij, van toepassing op de Denen als de onderdrukkers.

Ondanks alles waren er (overigens niet al te veel) Friezen, die er de voorkeur aan gaven de historische banden met Denemarken en Scandinavi te behouden. Zij gaven de voorkeur aan de Deense vrijzinnigheid en de Deense tolerantie boven de stijve Pruisische bureaucratie, waarvan ze vreesden dat die de Friese zelfstandigheid aan banden zou leggen. Zij geloofden dat via een samenwerking met Denemarken de beste mogelijkheden werden geboden voor de realisatie van een zelfstandig Friesland.

Al sinds de Middeleeuwen hadden veel Friese streken hun eigen landschaps-wetten, die hen rond het jaar 800 door Karel de Grote waren gegeven. De door het volk gekozen rechters konden, ook bij strafzaken, recht spreken. De Deense koning Christian de Derde stelde de Friezen vrij van dienstplicht en schonk hen in 1557 de zogenaamde "spadewetten". Deze wet gaf hen het recht hun eigen aangelegenheden te regelen, mits ze er zorg voor droegen dijken te bouwen en te onderhouden en het land tegen de zee te beschermen.

Men had dus op veel plaatsen eeuwenlang geleefd met de oorspronkelijke oude Friese wetten, die door de Friezen verongelijkt werden gekoesterd. Deze wetten waren echter, zeker in hun oudste uitvoering, nooit opgeschreven.

In juni 1456 verzamelden representanten van zeven Friese districten zich in St. Nicolai op Fr om de wetten uit die tijd in de zogenaamde "Siebenharden-beliebung" te bekrachtigen.

In hetzelfde jaar namen afgevaardigden van de drie Eierstedt-districten een document (in het Nederduits geschreven) aan, waarin was vastgelegd dat men aan de oude Friese rechtsbeginselen wilde vasthouden. Zowel het Friese recht, als het de Jutse Wet bleef tot in de 20e eeuw gehandhaafd, zij het met verschillende tussentijdse aanpassingen.

Net als in de rest van Jutland, was het zo genoemde Noord-Friesland opgedeeld in districten, waarvan 13 hun eigen Friese recht hadden, terwijl de drie noordelijke districten en later de koninklijke enclaves Westerland-Fr, Amrum en List de Jutse Wet hanteerden.Verscheidene koningen en landheren probeerden, zoals al gezegd, hier in de loop van de tijd verandering in aan te brengen. Ze werden echter vaak verdreven wanneer ze het onbegaanbare land, waarvan de bewoners geen enkele reden zagen om belasting te betalen, of het veroverde zelfbeschikkingsrecht af te staan, probeerden in te nemen.

De Friezen hadden eeuwenlang zelf hun eigen leiders aangewezen en gekozen. Dat waren in de regel de zogenaamde dijkgraven, de voorname titel van de voormannen bij de dijkaanleg. Men had met grote menselijke inspanningen grote delen van het overstroomde land heroverd door de ontwikkeling van technieken om de grond en het slik, dat het getij meevoerde, vast te houden. Ze beschouwden het daarom volledig als hun eigen land. Het werk was nagenoeg zonder bemoeienis van de Deense autoriteiten verricht. Onder de Friezen was nog niet eens de gedachte opgekomen dat het anders zou worden, wanneer de Pruisische ambtenaren het voor het zeggen zouden krijgen. Daarnaast waren de banden met de Denen, zowel de familiebanden, als wat de normen en
waarden aanging, zo sterk, dat men die niet graag wilde verbreken. Er bestond echter weinig twijfel over de vraag, waar de sympathie bij het merendeel van de Friezen lag. Die hadden geen band met Denemarken; het land dat maar heel zelden interesse voor hen had getoond. Jonge Friezen meldden zich massaal onder de Sleeswijk-Holsteinse vlag en vochten in beide Sleeswijkse oorlogen tegen de Denen.

Anderen hielden zich wijselijk buiten de oorlogen zelf en volstonden met verbale aanvallen op al wat Deens was. Het waren onzekere tijden, waarin men er niet zeker van kon zijn waar de buren mee sympathiseerden; of ze nu Duitsgezind, of Deensgezind waren, of dat ze kozen voor een zelfstandig Friesland. Wanneer men te duidelijk een mening te kennen gaf, dan riskeerde men het door n, of twee van de partijen voor een verrader te worden aangezien.

In enkele Sleeswijk-Holsteinse districten twijfelde men aan de Friezen, omdat men bang was dat ze de Sleeswijk-Holsteiners in de rug zouden aanvallen. Veel Sleeswijk-Holsteiners meenden zelfs dat het het beste was de Friese taal te verbieden. Dat standpunt vond echter toch niet de grootste bijval, omdat anderen meenden, dat het kleine aantal Friezen zo gevaarlijk nu ook weer niet was. In feite interesseerden de Friezen zich maar erg weinig voor de politiek. Dat was duidelijk te zien aan de uitgebrachte stemmen bij de verkiezing van de standenvertegenwoordiging in 1854, waarbij het deelnamepercentage in de zuidelijke Friese districten overal beneden de 6 procent lag.

De eerste Sleeswijkse oorlog werd, met behulp van de Europese grootmachten, die geen Duitse controle op de toegang tot de Oostzee wilden accepteren, door de Denen gewonnen. Het was belangrijk voor de Denen om de sympathie die ze door vele eeuwen van onverschilligheid en onwetendheid hadden verloren, weer terug te winnen. Op enkele plaatsen was men echter te drastisch bij de pogingen de Deense taal en Deense administratie te steunen. De Denen werden daardoor bepaald niet populairder, ook niet onder de Friezen.

Na de Deense nederlaag in de tweede Sleeswijkse oorlog van 1864 werd Sleeswijk-Holstein een deel van het Pruisische koninkrijk. De Friezen kregen het Pruisische staatsburgerschap. Hun recht op zelfbestuur werd afgeschaft en de Sleeswijk-Holsteinse beweging, die geen enkele steun van de nieuwe heren kreeg, kwijnde weg. De banden met Denemarken werden voor meer dan 50 jaar verbroken.. De Deense eenheidsstaat, dat wil zeggen een staatsverband van Denemarken en de hertogdommen Sleeswijk/Holstein, kreeg al met al een tijd van leven van slechts iets meer dan honderd jaar.