De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De Friezen in Zuid-Sleeswijk > Vreedzamere tijden

Vreedzamere tijden

Na de Duitse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog werd het voor veel Friezen tijd voor zelfonderzoek. Veel van de Duitsgezinde Friezen hadden zich in Duitse krijgsdienst gemeld. Zij waren ten dienste van de vrees inboezemende oorlogsmachinerie in verschillende gebieden ingezet.

Nu zag een groot deel van hen, net zoals andere Zuid Sleeswijkers, echter de waarde in van de Deense tijd daarvoor. De Vereniging van Nationale Friezen kreeg een onverwacht grote bijval. Het werd hen toegestaan om, samen met de Deense minderheid, in de westelijke streken, helemaal naar het zuiden tot Eiderstedt, een Deens/Fries school- en verenigingsleven op te richten.

Zonder een kwade bedoelingen moet wel worden gezegd dat veel van de nieuwe leden in de eerste plaats hun voordeel in deelname aan de Deens/
Friese samenwerking zagen omdat ze grotere voedselrantsoenen van de Deense noodhulp kregen. Ė Niemand kan echter hongerige mensen verwijten dat ze alle mogelijkheden benutten om aan eten te komen.

Er waren er echter niet weinig die met een open geest en een hervonden idealisme aan de Deens/Friese samenwerking begonnen in de overtuiging dat, via de Nationale Friezen, de weg naar een meer zelfstandig Friesland kon worden gevonden. Eťn van hen was Lorenz Conrad Peters, die ťťn van de voor-aanstaande personen onder de Duitsgezinde Friezen was geweest. Hij schreef in 1948 in een artikel het volgende: "Wij zagen in Duitsland ons vaderland en dat kon ook bijna niet anders. Ieder mens is het product van zijn opvoeding en de Pruisische opleiding op scholen en universiteit, in de perspropaganda en in de militaire opleiding was grondig en doelbewust. Zij bestempelden ons Friezen als een Duits volk. Daarbij werd verzwegen dat wij een volk waren dat overwegend Scandinavische kenmerken heeft en al sinds mensenheugenis in organisatorisch opzicht deel uitmaakte van de Deense bevolking.

Die opvoeding bracht de stemmen in ons, die vertelden over de geslachten van onze Friese en Deense voorouders, tot zwijgen en overstemde de stemmen van onze grootouders, die met een warm hart spraken over onze banden met Denemarken en de gelukkige tijd onder Deens bestuur.

Was het dan zo vreemd dat wij er in 1920 voor kozen bij Duitsland te gaan horen? De opvoeding had het Friese volk met blindheid geslagen en had tot gevolg dat het minder liefde voelde voor het verwante land dan voor het opgedrongen vaderland.

Vandaag de dag betreuren wij dat diep. Voor hoeveel zoektochten naar ons vaderland zouden we bespaard zijn gebleven, als wij toen al de weg naar het Noorden hadden teruggevonden".

De Fries Albrecht Johannsen formuleerde het als volgt: "De Noordfriezen 
hoeven niet bij zichzelf te rade te gaan voor de vraag of zij nu Duitser of Deen zijn. Voor hen is er maar ťťn vraag: Ben je een Fries, of ben je het niet?"

Nu was het de Duitse zijde, die zich in de verdediging voelde gedrongen en de strijd tussen de Denen en de Duitsers laaide opnieuw op. Thomas Steensen schrijft dat de fel uitgevochten Duits-Deense tegenstellingen decennialang de inspanningen voor het Fries overschaduwden en dat de emotioneel verhitte atmosfeer het lange tijd nagenoeg onmogelijk maakte om een zelfstandige Friese positie in te nemen.


Het noordwestelijke ambt in Zuid Sleeswijk heeft nu de naam Nordfriesland gekregen. De foto is van de grensaanduiding direct ten zuiden van RudbÝl, waar de grens zelfs midden door de hoofdstraat loopt.

Met het verloop der jaren werd de slepende "grensstrijd" echter minder actueel. De aangevangen "Koude Oorlog" tussen het Sovjet blok en de Verenigde Staten/West Europa overschaduwde veel regionale conflicten.

In 1949 onderschreef de Sleeswijk-Holsteinse Landdag unaniem de zogenoemde "eerste verklaring van Kiel". Hierin werd vastgesteld dat: "Het iedereen vrij staat om zichzelf tot de Deense nationaliteit en cultuur te rekenen. Geen enkele autoriteit mag dat bestrijden of controleren".

De verklaring legde ook de rechten van de Deense minderheid vast. De Friezen werd er ook in genoemd, maar zonder concrete formuleringen. Toch was het niet zonder betekenis dat het gezindheidsbeginsel werd vastgelegd en een bepaalde basis voor een vrijere handelwijze in de toekomst schiep.

Men kan stellen dat de opvolger van de verklaring van Kiel, de Kopenhagen-Bonnverklaring van 1955, gezien vanuit Fries standpunt, formeel een verslechtering was. Zij werden namelijk helemaal niet meer genoemd. Het principe van de vrije verkiezingen gold echter nog steeds. De verklaring werd ondertekend door Bondskanselier Konrad Adenauer en Staatsminister H.C. Hansen. De hoofdboodschap was: "Duits is hij die Duits wenst te zijn en Deens is hij die Deens wenst te zijn".

De nieuwe problemen, die zich in het kielzog van de oorlog manifesteerden, werden voor het Friese streven naar erkenning van eigen aard en taal, langzamerhand zo ernstig, dat men moest toegeven, dat het niet langer verantwoord was, afzonderlijk stelling te kiezen en elkaar te bestrijden. Het grensvraagstuk was zo langzamerhand niet meer actueel, nu men, zowel van Duitse, als van Deense kant had verklaard dat de landsgrens vast ligt en dat het noodzakelijk was samen de weg naar eigen herkenbaarheid te zoeken tussen de vele nieuwe mensen die plotseling de Friese gebieden binnenstroomden.

Dat waren mensen die door de oorlog, vanuit het vroegere Oost Pruisen, de nieuwe Poolse gebieden, de Duitstalige provincies in Tsjecho-Slowakije en verschillende andere delen van Hitlers zogenoemde "Derde Rijk", naar het
westen waren gedreven. Veel van deze mensen belandden in de nieuwe deelstaat Sleeswijk-Holstein en wisten natuurlijk helemaal niets van de Friezen en hun bijzondere omstandigheden. Een dergelijke bevolkingstoename met vreemdelingen bracht het gevaar met zich mee dat de praktijk zich ten ongunste van de Friezen zou ontwikkelen. Het was daarom nodig om samen te werken.

Beide Noordfriese groeperingen stemden daar dan ook mee in, zij het met het benadrukken van hun eigen standpunt. Toen men in 1956 in Aurich in Oost Friesland de Friezenraad oprichtte, waren niet alleen de drie Frieslanden vertegenwoordigd, maar uit Noordfriesland waren er representanten van zowel de nationale ( Deens georiŽnteerde) Friezen, als ook van de Duitse Friezen.

Al tussen de beide wereldoorlogen werden er een aantal gemeenschappelijke Friese congressen gehouden. Met het oprichten van de Friezenraad werd de supranationale samenwerking geformaliseerd. De Friezenraad houdt elk 3e jaar een groot Fries congres, afwisselend in Noord-, Oost- en West-Friesland (Frysl‚n). Ieder jaar vinden er een Fries jeugdkamp en verschillende andere arrangementen plaats, waar de Friezen uit de verschillende streken elkaar ontmoeten. In 2004 vond de grote "Friezenmeeting" plaats op Helgoland, waarbij, vermoedelijk voor de eerste keer, ook een nakomeling van Friezen in Denemarken was uitgenodigd.

Een ander resultaat van de samenwerking was het oprichten van het Noordfriese Instituut in 1965, in een voormalige gemeenteschool in Bredstedt. Dit wetenschappelijk instituut doet, in samenwerking met de universiteiten van Flensburg en Kiel, onderzoek naar de Friese taal en cultuur Het Noordfriese Instituut heeft in de loop der jaren een omvangrijke verzameling documenten en boeken aangelegd over de Friese taal, geschiedenis en de levensomstandigheden in de loop der tijden. Het instituut geeft eveneens een serie boeken en periodieke geschriften uit over de Friese omstandigheden, hun geschiedenis, personeelsgeschiedenis en verenigingsactiviteiten.

Het instituut krijgt zowel Deense als Duitse steun, maar is langzamerhand wel in moeilijke economische omstandigheden terecht gekomen. Professor Thomas Steensen heeft de leiding van het instituut. Hij is een met veel kennis begenadigd spreker en schrijver van een lange serie artikelen en boeken over de Friese omstandigheden.

De verzamelde werken van de Friezen komen ook tot uitdrukking in de verschillende aanvragen bij, zowel de Sleeswijk-Holsteinse landsregering, als ook de bondsregering, om meer in de wet vastgelegde rechten voor minderheden en bevolkingsgroepen. Dit heeft een aantal resultaten opgeleverd. Het is gelukt de deelstaatregering zo ver te krijgen dat ze bij de bondsregering in Berlijn in de bres sprongen voor de bescherming van de Friese taal, conform onderdeel III van de Europese Charta voor regionale- of minderheidstalen. Verder participeert men in het Europees Bureau voor Kleine Talen (EBLUL) in Dublin en in de Federalistische Unie van Europese Bevolkingsgroepen.


Veel Noordwest Sleeswijkse steden ten zuiden van de grens hebben hun oude Friese naam teruggekregen. De vroegere Deense stad Bredsted heet nu Bredstedt op zijn Duits. De Friese naam die eveneens op het plaatsnaambord is aangegeven, luidt Bršist.

Het is evenwel niet gelukt de status als officiŽle taal te verkrijgen - dat is nog steeds het Duits. Niettemin is het in enkele gemeenten mogelijk een huwelijk in het Fries te sluiten en op enkele plaatsen kan in het gemeentebestuur Fries worden gesproken.

Het getuigt van een bepaalde erkenning, dat men nu in veel Zuid-Sleeswijkse gemeenten straatnaamborden in het oorspronkelijke Fries kan vinden. Bij het binnenrijden van enkele steden ziet men nu ook de naam op de plaatsnaamborden zowel in het Duits, als in het Fries, aangegeven. Voorbeelden zijn NiebŁll/Naibel, Risum-Lindholm/ Risem-Loonham, Bredstedt/Bršist en Husum/ HŁsem.

In het Friese taalgebied heeft ieder dorp een oorspronkelijk Friese naam, maar niet in alle plaatsen kon er een meerderheid worden gevonden om de Friese naam een officiŽle status te geven. Friese plaatsnamen vindt men niet in de laatste plaats op de Waddenzee-eilanden. In het Deens heet het lange, smalle en grootste eiland Sild, in het Duits Sylt en in het Fries SŲl. FŲr heet in het Deens FÝr en in het Fries Feer. Amrum heeft dezelfde naam in het Deens en Duits en heet Oomram in het Fries. - Al met al voorbeelden van de meertaligheid, die in het Friese gebied heerste en waarmee de bewoners hier, voor het merendeel in normale harmonie en verdraagzaamheid, eeuwenlang uitstekend hebben kunnen leven.