De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De taal van de Friezen > Deense en Duitse onderdrukking

Deense en Duitse onderdrukking

De dramatiek van het Friese volk in de streken die vandaag de dag Nederlands, Duits, of Deens gebied zijn, is n lange opsomming van talloze gevallen van kleingeestige tegenwerking en ruwe vergrijpen, tot harde methoden met de bedoeling de Friese identiteit en taal te onderdrukken. Het doel was zich van de loyaliteit en steun van de Friezen te verzekeren. De Friese gebieden vielen lange tijd onder de heerschappij van de Deense koningen. En van deze koningen verordonneerde dat de Friezen hun huizen moesten bouwen met een lage toegangsdeur in de richting van Denemarken, als teken dat ze daar thuis hoorden. Wanneer ze hun huis verlieten, moesten ze dan hun hoofd eerbiedig naar het noorden buigen. De Friezen besloten toen soms achterwaarts hun huis te verlaten

De Friezen kwamen tijdens de eeuwenlange nationale strijd tussen Denen en Duitsers ernstig in de klem te zitten. Dit begon bij de Duitsgezinde Sleeswijk-Holsteinse beweging. Totdat deze beweging op gang kwam, hadden alle partijen in de vele kleine dorpsgemeenschappen een verhoudingsgewijs vreedzaam dagelijks bestaan met een wederzijds saamhorigheidsgevoel en respect. Ze hadden maar weinig interesse voor de buitenwereld.

De Noordfriezen werden voor ongenteresseerd gehouden, om niet te zeggen onverschillig; ze hadden genoeg aan zich zelf. Ze waren het vaak onderling oneens over de vraag welke rol ze moesten spelen in de vaak hevige, eerst verbale en later gewelddadige, Deens-Duitse conflicten in de twee hertogdommen Sleeswijk en Holstein. De Deense koningen waren de officile en absolute 
heersers van deze gebieden. De Friezen realiseerden zich pas later dat ze in die tijd door de omstandigheden waren gedwongen een standpunt in te nemen.

Omdat hen op scholen, in kerken, alsmede bij het rechtsbestel en het regeringsapparaat, eeuwenlang de Duitse taal was opgedrongen, kozen de meesten de kant van Sleeswijk-Holstein.

Van Deense kant liet men dat met een verbluffend onverschillige houding gebeuren. Hoewel de hertogdommen Sleeswijk-Holstein eeuwenlang tot de Deense troon behoorden, waren er ten zuiden van Tnder niet veel mensen die Deens, respectievelijk het Zuidjutse dialect spraken.

Van Duitse kant werden er veel pogingen ondernomen de Friese taal uit te roeien. De Deense onverschilligheid was toch wel te wijten aan onwetendheid aangaande het Friese. Men beschouwde de Friezen ongetwijfeld als een soort Duitsers en interesseerde zich niet voor de verduitsing die plaatsvond. Toen men eindelijk, in het midden van 1800, inzag wat er gebeurde en probeerde er iets aan te doen, was het te laat. De Deense onverschilligheid was er ongetwijfeld, in even grote mate als de Duitse volharding, de oorzaak van dat de meeste Friezen de Duitse kant kozen.

De zogenoemde Deense eenheidsstaat bestond tot 1864 uit het Deense rijk, samen met de twee hertogdommen, die op Duitse wijze werden geregeerd door de zogenoemde Duitse Kanselarij in Kopenhagen. De ambtenaren daar zagen echter zelden een reden om zich te bemoeien met de Friese minderheid en haar problemen. De meeste ambtenaren waren Duits opgevoed en opgeleid op Duitse universiteiten. Verscheidene van hen waren voorstander van de Deense eenheidsstaat, maar vonden wel dat, uitgezonderd in de noordelijke Deenssprekende districten, de officile taal in het hertogdom natuurlijk Duits was en dat de Friezen daarom de Duitse taal moesten beheersen. Noord-Friesland, dat wil zeggen het land langs de Waddenzeekust en de eilanden, was Duits gebied en hier moest, naar de mening van de "Deense" ambtenaren, de Duitse taal worden gebruikt en niet de boerentaal: het Fries.

Dat standpunt deelden ook veel van de, in normale omstandigheden
Duitssprekende, Deense koningen. Dat een deel van de Noordfriese gebieden krachtens een overeenkomst met de Sleeswijk-Holsteinse hertogen, recht-
streeks koninklijk gebied werd, deed daaraan niets af.

Later kwamen beide hertogdommen in hun geheel onder Deense heerschappij te staan. Dat veranderde echter niets in de houding van Duitse Kanselarij.

Tot aan 1700 was het Fries in het rijke zuidelijk gelegen schiereiland Eiderstedt de dominante volkstaal. In de loop van enkele decennia verdween het Fries in het land Sleeswijk-Holstein echter bijna helemaal als voornaamste taal en werd het opgevolgd door het Duits. Daarna werd het Fries alleen nog maar in de noordelijke districten en op de eilanden gesproken. Ook hier nam het gebruik van het Fries echter snel af. Op het eiland Amrum sprak in 1825 nog 98% van de bevolking Fries. In 1925 was dat 52% en in 1970 was het beneden de 30% gedaald.

De Friese moedertaal kwam onder grote druk te staan. In 1759 benoemde de Deense koning een godsdienstfanaat, Adam Struense, tot "Generalsuperintendent" en hoofd voor geestelijke zaken in het hertogdom Sleeswijk. Hij was geboren in Neuruppin bij Berlijn in het land Brandenburg. Zijn opleiding had hij genoten aan de Universiteiten in Halle en Jena, waar hij theologie had gestudeerd.

Hij had in het geheel geen begrip voor nch de Deense, nch de
Friese volkstaal. Bij zijn talrijke bezoeken aan de Westsleeswijkse kerken ondervond Struense keer op keer dat zijn streven om de Noordfriezen zo ver te krijgen Duits te leren, vaak tevergeefs was. Kinderen die de kleine catechismus in het Duits moesten leren, konden de woorden slechts met moeite uitspreken, hadden echt moeilijkheden met het uitspreken van de medeklinkers en ze begrepen niet wat de woorden betekenden.

De kinderen gingen als regel alleen in de winter naar school en het was gebruikelijk dat de ouders in het winterhalfjaar lokale leraren aanstelden, die zelden het Duits beheersten. De predikanten klaagden bij Struense en bena-drukten dat de leraren niet in staat waren zijn bevel, om het onderwijs in het Duits te geven, uit te voeren.

De ouders protesteerden bij herhaling tegen de opdracht van de geestelijken en hielden hun kinderen vaak weg van school.

Adam Struense begon de ouders boetes op te leggen, wanneer hun kinderen niet op school kwamen. Omdat dat niet echt werkte, dreigde Struense hen met gevangenisstraffen. Dat leek de hoofdconsistorie in Gottorp toch te ver te gaan.

In 1760 klaagde Struense bij De Duitse Kanselarij in Kopenhagen over de onwetendheid en de onverschilligheid van de Friezen ten aanzien van religieuze zaken. Graaf Bernstorff, de president van De Kanselarij, de hoogste ambtenaar van de regering, vandaag de dag zou hij zelfs de titel van staatsminister hebben gedragen, antwoordde met een brief aan de hoofdconsistorie. Hij scherpte hierin nog eens nadrukkelijk aan dat het de plicht van de priester was er voor te zorgen dat de order van de koning werd uitgevoerd en dat men uit respect voor de koninklijke wet, niet jaar na jaar het probleem weer moest oprakelen.

In 1764 was Struense weer bij de Friezen op bezoek geweest; deze keer in een gebied rond Bredstedt. In zijn verslag aan de kanselier klaagt hij opnieuw. Hij schreef gergerd dat de ouders in de meeste parochies niet alleen Fries met hun kinderen spreken, maar ook nog leraren aanstelden die niet in staat waren de leerlingen les te geven. De kinderen konden zich zodoende, omdat ze de Duitse taal niet verstonden, niet voorbereiden op de confirmatie.

De voorbereiding op de confirmatie werd een grote hinderpaal voor de arme kinderen. Hun ouders konden hen niet met het Duits helpen. Het gevolg was dat de kinderen de Duitse bijbelteksten van buiten moesten leren en napraten als papegaaien. Na de confirmatie vergaten ze dan ook alles snel.

Pas bij de schoolhervorming, die de Deense koning Frederik de Zesde in 1814 invoerde, werd het onderwijs wezenlijk verbeterd en werd de Friese taal in beperkte mate geaccepteerd.

In de loop van 1800 werd op de marsgronden en op de eilanden het Duits, of het Nederduits, beetje bij beetje dominant in scholen, kerken, het rechtswezen en in het openbaar bestuur. Dat was de "goede" taal en de "heilige" taal. Daarom trad de Deense regering niet gelukkig op door, toen in 1850 het Sleeswijk-Holsteinse oproer werd neergeslagen, te proberen de Deense kerktaal in een aantal Deenstalige parochies in te voeren. Er werd een zekere druk op de geestelijken uitgeoefend om de godsdienstoefeningen in het Deens te houden. Enerzijds waren de meeste predikanten echter Duitssprekend en anderzijds protesteerden veel kerkgemeenten, omdat ze eraan waren gewend dat Gods woord in het Duits werd verkondigd. De Deense plannen moesten dan ook worden opgegeven. Helemaal niemand kwam op het idee het Fries als kerktaal te gaan gebruiken.

Het onderdrukken van de Friese moedertaal ten faveure van het Duits, in de eerste helft van de 19e eeuw, in een door de Deense koning geregeerd land, lijkt overigens geen "bad feelings" ten opzichte van het Deense koningshuis tot gevolg te hebben gehad. De Friezen, waren maar weinig genteresseerd in de politieke problemen van anderen, Omdat het niet anders kon, sloten ze zich aan bij de heersende opvatting over de Deense eenheidsstaat en lijken ze er trots op te zijn geweest dat Deense koningen vakantie hielden op hun eilanden. Dat bleek in de zomer van 1842, toen de landsheer koning Christian de Achtste, die in het Fries "Tte" vader - werd genoemd en de koningin op het eiland Amrum door een koor van Friezen werden gehuldigd. De melodie was de wijs van "God save the Queen" en de tekst luidde als volgt:

"Frasch san we trinambai,  Fries zijn we hier in de streek,

Snke, ast hart s sit,  Praten zoals het hart ons gebiedt,

San wat liktu!  We zijn bijna net als U,

Nam dn forliif uk n  Neem ons dan ook zoals we zijn,

Trou miine wet uk n  want trouw zijn we ook nu

M de nt fderlnj,  tegenover U en het vaderland,

Dt liiw s mn!  Daar geloven we in!"

De lokale Friezen waren er trots op dat de koning en zijn hofhouding hun vakantie in hun omgeving hielden; ze waren echter minder blij de koning in hun eigen huis op bezoek te krijgen. Die woonden echter lang tussen de adellijke boerderijen en slotten langs de Waddenzeekust, zodat de boeren daar maar rekening mee moesten houden. Een dergelijk bezoek van erg veeleisende
gasten bracht de boeren vaak op het randje van het faillissement.