De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > De taal van de Friezen > Ontwakend taalbewustzijn

Ontwakend taalbewustzijn

Professor Thomas Steensen van het Friese Instituut in Bredstedt verhaalt dat het oudste landrecht voor de Noordfriese streken uit de 15e eeuw, in het Nederduits was geredigeerd, terwijl het Fries nooit de "officiële" taal is geweest. Uit die tijd worden er slechts erg weinig Friese teksten gevonden. In de veertiger jaren van de 18e eeuw kwam het eerste Noordfriese woordenboek uit, ver
vaardigd in Göttingen, ver weg van Friesland dus. Schrijver en uitgever van het boek was koopman Boy Jacobsen (1697 – 1762) uit Sterde/Bodlum. Het boek bleef echter 2 eeuwen lang onbekend, zelfs in Noord-Friesland – iets dat later ook met andere werken in het Fries gebeurde.

Het eerste grote Noordfriese literaire werk van betekenis diende zich pas rond de eeuwwisseling van de 18e naar de 19e eeuw aan: na een zeereis van 1788 tot 1791 schreef Jap Peter Hansen (1767-1855), later onderwijzer in Keitum op Sylt, de komedie "Die Gidtshals, of de Söl’ring Pid’ersdei". Dit stuk was geïnspireerd door Molière en Holbergs blijspel. In 1809 werd het in boekvorm uitgegeven en werd daarmee überhaupt het eerste boek in het Noordfries. Met zijn boek schiep Jap P. Hansen als autodidact de basis voor de ontwikkeling van de Noordfriese schrijftaal. Zijn zoon werd later mede-uitgever van het Friese tijdschrift.

De nationaal-romantische stromingen, die in de loop van de 19e eeuw over Europa golfden, zorgden voor een groeiende belangstelling voor de lokale volkstaal en veel taalonderzoekers, zowel wetenschapsmensen als amateur-onderzoekers, begonnen de Friese taal te bestuderen. De Deense taalonderzoeker Rasmus Rask gaf in 1825 een "Friese Taalleer" uit. Het Deens Wetenschappelijk gezelschap schreef in 1817 een prijsvraag uit met als titel "De Friese taalgeschiedenis".

Dat proces van ontwaken dwong veel Friezen stelling te nemen in een slepend conflict tussen Deens en Duits. Hoewel de meesten sympathiseerden met de Sleeswijk-Holsteinse vrijheidsbewegingen, waren er niet weinig die de banden met de Deense eenheidsstaat en het Deens wilden behouden. Welke sympathie men echter ook had; de Friezen waren zich ervan bewust geworden dat, als ze als eigen volk wilden overleven, zij zich ervoor moesten inzetten de Friese taal te behouden en weer in ere te herstellen. Zonder taal zou het Friese volk verdwijnen.

Pastor Christian Feddersen van Nørre Haksted verklaarde in zijn kleine boek "Fünf Worte an die Nordfriesen" dat hij zichzelf noch als Duitser, noch als Deen, maar als Fries beschouwde en hij deed een beroep op zijn landgenoten om nooit te vergeten dat ze Friezen waren. "Spreek Fries in jullie huis, probeer als Fries te leven, Friezen zijn een eigen volk met een eigen vaderland. Streef bij die gemeenschappelijke inzet naar een zelfstandige plaats met perspectieven, naast die van de Denen en de Duitsers".

Verder vermaande hij zijn landgenoten: "Houdt niet op met Fries te zijn! –vreemde zeden en gewoonten, een vreemde levenswijze, hebben terrein gewonnen en in veel dorpen, in veel streken is een groot deel van de het Fries eigene verloren gegaan; ijdelheid onder velen, die zich schaamden voor ons kleine volk met zijn oude zeden en gewoonten en met onze oude taal, hebben er in stilte aan meegewerkt de zaak te verzwakken; zotheid en schuld hebben hier en daar de grondvesten van het volk doen schudden en haar glans eraf gehaald; gebrek aan gemeenschapszin en aan banden tussen de afzonderlijke delen van het land hebben de Friezen van elkaar los geweekt en het volksbewustzijn is meer en meer verdrongen…

Friezen in de venen, Friezen op de geestgronden, de eilanden en het vasteland, Friezen in jullie geboorteplaatsen, Friezen in den vreemde! Sta allen op, zodat jullie echt mogen voelen dat jullie tot één en hetzelfde volk behoren!"

Feddersen droeg verder bij aan het versterken van het Friese taalbewustzijn door vertalingen van verschillende bijbelse en christelijke geschriften en hij werd één van de stichters van de nieuwe Friese taalbeweging.

Met het groeiende Friese bewustzijn ontwikkelde zich een steeds grotere claim op erkenning van de taal en het volkskarakter. Het waren moeilijke tijden in de jaren rond het midden van 19e de eeuw, met de twee Sleeswijkse oorlogen van 1848-1850 en 1864. Vaak was het toevallig oorlogsgeluk, dat bepaalde of kortere of langere tijd de Duitsers, dan wel de Denen de macht hadden in de Friese parochies en gemeenten.

Burgemeesters, ambtenaren, priesters en leraren werden onafgebroken vervangen door de partij die binnentrok en de steden overnam. Zowel de
Duitsers als de Denen keerden zich daarbij tegen de Friezen, die vaak door beide partijen werden beschouwd als reële of potentiële verraders; in ieder geval als onbetrouwbaar, omdat ze zich niet wilden binden aan de ene, dan wel de andere partij. Er was sprake van zowel Duitse als Deense onderdrukking van de Friese zaak. Zij hadden tijdens de bittere nationale conflicten en oorlogszuchtige opstanden in de regio een bijzonder geringe speelruimte.

Na de eerste Sleeswijkse oorlog, die weer tot Deense heerschappij over de hertogdommen leidde, werd er censuur ingevoerd. Veel Duitstalige kranten in West-Sleeswijk kregen boetes omdat zij iets schreven dat de Deense autoriteiten mishaagde. Veel verenigingen, wier werk de Denen niet beviel, werden verboden.

Eerst vele jaren nadat de Duitsers de oorlog in 1864 hadden gewonnen en geheel Sleeswijk-Holstein helemaal tot aan de Konings A bij Ribe bij het Pruisische Rijk werd ingelijfd, kregen de Friezen weer mogelijkheden om voor hun zaak op te komen. Heel veel Friezen hadden, zowel in 1850, als in 1864, op de volksvergadering hun trouw aan de Duitse staat toegezegd en er mee ingestemd zich als een Duits volk laten beschouwen. Het was dan ook moeilijk nu weer bij de Duitsers aan te komen met de eis om als een volk met een zelfstandige taal en eigen cultuur te worden geaccepteerd. Tot vele jaren na afloop van de oorlog was men er, zowel in Denemarken, als in Duitsland, niet zeker van wat men had aan deze Friezen, die steeds te berde brachten dat ze een buiten-
staande derde partij in het grote nationale oproer waren.