Elke eeuw een stormvloedramp

Er bestaan zowel geografische, als meteorologische oorzaken voor de na-
tuurrampen die het Waddenzeegebied treffen. Men heeft vastgesteld dat zich door de eeuwen heen 10-15 verwoestende stormvloeden langs de kust hebben voorgedaan. Dit betekent dat er gemiddeld ťťn keer per eeuw een grote ramp plaatsvindt, waarbij de zee de dijken overspoelt en grote gebieden onder water komen te staan.

De kustlijn verplaatste zich dan weer richting zee en dan weer richting land en heeft de hoger liggende gebieden, zoals de eilanden buitengaats, gevormd.

Men moet helemaal terug tot de laatste ijstijd, die ongeveer 12.000 jaar geleden eindigde, om daar een verklaring voor te vinden. Ė In de laatste ijstijd lag er een grote ijskap over het grootste deel van ScandinaviŽ. De grens van het ijs liep precies midden over Jutland. Het zuidelijke deel van de Noordzee was tot Engeland vrij van ijs. De ijsmassaís bevatten zo veel water, dat de waterstand in de wereldzeeŽn 120 meter lager was dan tegenwoordig. Grote delen van de Noordzee stonden dus droog en Engeland was met delen van het Noordeuropese continent verbonden. Het zeeniveau in het latere Noordzeegebied zakte 130 meter. De Noordzeebodem was dus land.

De mammoetjagers in de IJstijd hebben op de hellingen kunnen staan en over een uitgestrekte zandvlakte met rivieren en meren kunnen uitzien. Grote zandstormen hebben verschillende duinruggen gevormd, die barriŤres vormden, waardoor de huidige Waddeneilanden beschermd werden tegen de zee. De temperatuur steeg daarna snel, het ijs smolt en de zee breidde zich weer uit. Doordat het water langzamerhand weer beschikbaar kwam, steeg het zeeniveau in bepaalde perioden. Toen de ijsbarriŤre verdween, kon het water van de Atlantische oceaan het gebied dat later de Noordzee werd, weer binnenstromen. Het getij vanuit het noorden ontmoette het water dat vanuit het Kanaal naar het noorden stroomde en de twee stromen duwden het water naar het oosten, richting Sleeswijkse kust. Engeland werd een eiland en het vlakke land tussen Engeland en Sleeswijk-Holstein overstroomde beetje bij beetje. Het getij op de Atlantische Oceaan verandert ongeveer om de 6 uur. Dit getij wordt in de eerste plaats veroorzaakt door de aantrekkingskracht van de maan op de draaiende aardbol, die inwerkt op de wereldzeeŽn. In de Noordfriese omgeving is de gemiddelde hoogte van de door de maan veroorzaakte golf ca 10 meter. De aantrekkingskracht van de zon heeft ook een, zij het geringere, invloed. Die golf is maar ongeveer 30 cm.

Bij volle maan en bij nieuwe maan vallen de aantrekkingskracht van de zon en die van de maan samen. Als bij volle maan een storm grote watermassaís de Noordzee in duwt, ontstaat het verschijnsel dat springvloed wordt genoemd. Hierdoor kunnen zich grote en onverwacht optredende rampen voordoen.

Gelukkig komt het zelden voor dat deze drie verschijnselen tegelijkertijd optreden. Gelukkigerwijs gebeurde dit ook in 1999 niet op RÝmÝ en langs het overige deel van de Waddenzeekust, met name omdat de orkaan niet samenviel met hoogwater. Een andere omstandigheid die zich voordoet is het lage zoutgehalte in het oostelijke deel van de Noordzee. Dat komt door de grote hoeveelheden zoetwater, die van de grote Noordduitse rivieren komen.
Zoutarm zeewater is lichter dan normaal zeewater en heeft een hogere viscositeit. Hierdoor wordt een snelle invloed van de getijgolven bevorderd.