De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Inleiding

Inleiding

Er werd thuis Fries gesproken. Als echte Fries was vader geen man van veel woorden. Vaak keek hij somber en nors. Hij nam het bestaan dan ook niet gemakkelijk op. In de familiekring en onder vrienden kon hij echter ontdooien en een doodgoed en vriendelijk gemoed aan de dag leggen…"

Als ik deze regels lees in de in 1996 door zijn zoon Fr. Dinsen Hansen van Kongsmark op Rømø uitgewerkte naslagwerken van Jens Christian Hansen, dan wekken die herinneringen op aan mijn eigen vader, Peter Christian Siewertsen. Beiden werden in een Fries gezin, direct ten zuiden van Tønder geboren en de taal in hun jeugd was Fries. Hun voorouders waren Friezen en hun vele nakomelingen en naaste familieleden woonden en wonen nog steeds verspreid over heel Denemarken en Zuid Sleeswijk.

Hun karaktertrekken, zoals die in weinig en simpele bewoordingen in het naslagwerk worden beschreven, stemmen nagenoeg overeen met die van mijn overleden vader. In de woorden zit iets, dat ik bij mij zelf en ook enigszins bij mijn twee zonen en hun kinderen, kan herkennen. In dit boek wordt in hedendaagse taal, in weinig regels, iets essentieels uitgedrukt over mensen die zich Friezen noemen. Misschien zit er ook wel ook iets herkenbaars in ten aanzien van hun nakomelingen. Men krijgt een innerlijk beeld van deze voorouders, van wie de oorsprong, taal, cultuur en levensomstandigheden in Denemarken momenteel nagenoeg zijn vergeten; verdwenen uit het bewustzijn van veel nakomelingen en in de loop van slechts twee of drie generaties weggegleden in de vergetelheid.

Zoals andere volkeren in de geschiedenis, in de klem gekomen en in de vergetelheid geraakt onder de zware druk van grote nationale oorlogen, conflicten en oproer in die merkwaardige en turbulente landstreek, vol tegenstellingen, daar tussen Denemarken en Duitsland. Vaak voelden Friezen zich niet betrokken bij deze nationale conflicten en probeerden ze keer op keer zich er buiten te houden. Niettemin waren ze, als een kleine minderheid, regelmatig genoodzaakt stelling te nemen.

Het valt te betreuren dat vandaag de dag veel Denen zich niet meer bewust zijn van hun Friese oorsprong. Wanneer men dat aan hen vertelt, dan vragen ze verbaasd wie die Friezen eigenlijk waren.

Ze hebben er geen idee van dat hun groot-, of overgrootouders, thuis, op school en bij het spelen, een taal spraken die één van de oudste van Noordvest Europa is en dat vandaag de dag - aan deze kant van de grens- slechts heel weinig Deense taalonderzoekers iets van deze taal begrijpen.

Men kan zich afvragen wat voor nut het heeft dat wat vergeten is, weer op te rakelen. Wij behoren echter nog tot de mensen, die er in geloven, dat je alleen met kennis over je eigen herkomst, je eigen tijd, je eigen bestaan en je gevoel voor eigenwaarde kunt begrijpen. Men mist iets in het leven wanneer men niets weet van het familieverleden. Ieder mens is het product van voorgaande generaties en draagt de genen, die zijn ontwikkeld uit het gedachtegoed, de levensomstandigheden en de sociale situatie van zijn voorouders. Ons lichaam en onze geest zijn in de loop van generaties ontwikkeld.

Ook behoren wij kennelijk tot de weinigen, die met grote verbazing constateren, dat de "toevallige in het zand getrokken streep"- wanneer men zich deze metafoor mag veroorloven-, toen de oude Deense waterloop, de Vidå, in 1920 de nieuwe nationale grens in het westen werd tussen Denemarken en Duitsland, een soort barrière lijkt te zijn geworden voor het voortbestaan van een Fries element in het herenigde deel van Denemarken.

Dit, terwijl zich ten zuiden van de grens daarentegen veel idealistische, levenskrachtige en sterk betrokken beijveraars voor het behoud van de Friese identiteit en de Friese taal manifesteren.

Daar, in het Duitse deel van West-Sleeswijk, kan zowel van een volksbeweging met veel actieve Friese heemkundeverenigingen, als ook van serieus wetenschappelijk onderzoek van enige betekenis op het gebied van de Friese geschiedenis en cultuur worden gesproken.

Dat gebeurt in het voormalige Deense land, dat gedurende meerdere eeuwen door het Deense koningshuis werd bestuurd, in plaats van door het huidige Duitse staatsbestel. Daar zijn de gewone familienamen nog steeds de Deens klinkende namen als Hansen, Petersen, Christensen, Nielsen, enzovoort.

Er is een zekere aanleiding om te durven stellen, dat de meeste Zuidjutten en Zuidsleeswijkers misschien in werkelijkheid van Friese afkomst zijn. De Friese taal schijnt, zo’n drie-, vier-, vijfhonderd jaar geleden, een van de meest algemene dagelijkse talen te zijn geweest, tot ver naar boven in Jutland en ver naar het zuiden. Men kan zich er slechts over verbazen, dat de Friezen en hun taal in Denemarken zo duidelijk zijn verdwenen en vergeten, terwijl het tot op zekere hoogte gelukt is de taal en de identiteit in de vandaag de dag nog steeds Fries sprekende streken in de Duitse omgeving, te behouden. Hoewel men tegenwoordig in het zuidwestelijke Zuid Jutland geen levende Friese spor-
en meer vindt, zijn er nog steeds historische sporen die wij in beeld zullen proberen te brengen.

Zelfs in Zuid Jutland weet men maar weinig over de Friezen. Een rector van het gymnasium van Aabenraa vroeg zich onlangs, in een voordracht op de Deense radio, verbaasd af: "Wat weten wij eigenlijk van de mensen die daar - slechts 30 tot 40 kilometer ten westen van Aabenraa! - aan de andere kant bij de Waddenzee wonen?"

Ons doel met dit kleine boekje is om te proberen enkele van de vele vragen, die over de Friezen en hun lot en leven kunnen worden gesteld, te beantwoorden. Het is natuurlijk duidelijk een illusie om te denken dat er in dat opzicht een historische waarheid zal worden gevonden. Wij willen echter, volgens de goede oude journalistieke principes, proberen de juiste geschiedenis weer te geven, dat wil zeggen via de weg "Waar, Hoe en Waarom". Daarbij zullen wij proberen, de achtergronden en omstandigheden van dat historisch verloop uit de beschikbare bronnen aan te halen. Vervolgens willen we het oordeel over de geloofwaardigheid aan de lezer overlaten.

Wij gaan in op de opmerkelijke geschiedenis van de Friezen met de vele conflicten en besteden daarbij aandacht aan de mythen, de kronieken en de legenden, maar ook aan de meer historische gebeurtenissen en handelingen. Zoals dat bijna altijd bij geschiedschrijving het geval is, valt het daarbij niet mee onderscheid te maken tussen deze begrippen. Waar de samenhang der dingen echter op een tamelijk logische wijze moest worden aangegeven, daar zijn mythen altijd een belangrijke voedingsbron geweest voor het wetenschappelijk onderzoek.

Wij zullen proberen een beeld te schetsen wat voor soort mensen de Friezen zijn, of zijn geweest en waarom. Wij weten daarbij dat het een bedenkelijke zaak is om zomaar te zeggen: "zo zijn de Friezen". In alle ernst kan men vanzelfsprekend hooguit zeggen: "zo zijn de Friezen in het algemeen". Dit voorbehoud in gedachten houdend, is het ook duidelijk dat het volkskarakter werd gevormd door de natuurlijke omstandigheden en de daaruit afgeleide levensvoorwaarden, waar men mee te maken heeft. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor de Friezen, maar voor de meeste volken, die in de West-Sleeswijkse omgeving hebben geleefd.

In feite wordt er een poging gedaan om zo objectief mogelijk, misschien ook wel met wat kritische ogen, de nationale, politieke en emotionele omstandigheden te beschrijven, die hebben geleid tot de hedendaagse Friese situatie en de mogelijkheden die de Friezen daarbij hadden hun eigen identiteit en eigen taal te behouden.

Het is uiteraard een gecompliceerde onderneming om daar vol overgave mee aan de slag te gaan. We proberen het echter toch in gemakkelijk leesbaar en hedendaags Deens en met de nadruk vooral op de Friese kwestie in het noordelijke deel van de Friese regio’s. We hebben het derhalve over westelijk Noord-Sleeswijk, het gebied dat tegenwoordig boven de grens van 1920 ligt; Zuid-Jutland en Zuid-Sleeswijk dus.

Veel Denen zullen, zoals al gezegd, in dat landsdeel hun voorouders kunnen vinden. Het zal voor hen zeker een verrassing zijn om gewaar te worden dat hun "roots" een oorsprong vinden in een heel bijzonder volk, dat niet zoiets als een eigen staat had, maar verspreid over drie landen leefde. Een volk met een heel oude en zelfstandige taal en in een dagelijks bestaan met grote politieke- en nationale conflicten. Daarnaast hebben ze te maken met een eeuwige strijd tegen een onberekenbare natuur, met overstromingen, harde wind, verwoestende en levensgevaarlijke stormvloeden, zandstormen, etc.

Ook geografisch ligt de Friese zaak gecompliceerd. Er zijn meerdere "Friezenlanden".

In Nederland wordt momenteel de grootste concentratie aan mensen gevonden, die zichzelf als Fries beschouwen. Zij worden in Denemarken Westfriezen genoemd en tellen circa 500.000 zielen. De meesten van hen wonen in de provincie Fryslân in het noordelijk deel van het land, waar ze een uitgebreid administratief en cultureel zelfbestuurssysteem hebben bevochten en waar veel wordt gedaan om de Friese taal te bewaren.

Iets verder naar het noordoosten vindt men een kleine groep zogenoemde Oostfriezen; dat zijn Duitse staatsburgers. Ze wonen onder meer in een enclave in het zogenoemde Saterland. Slechts een klein aantal heeft nog steeds het Fries als moedertaal.

De noordelijke Friese streken tenslotte omvatten op het vasteland langs de Waddenzeekust de oude Deense districten Vidingherred, Bøkingherred en Nørre Gøs herred. Ook het eiland Helgoland en onder andere de Waddenzee-eilanden Sylt, För, Amrum, Rømø, Mandø, Fanø en een serie kleine onbedijkte eilandjes, halligen genoemd, behoren er toe. In het noordwestelijke Zuid-
Sleeswijk wordt het Fries door circa 10.000 mensen verstaan en gesproken.

In 1970 kregen de Noordfriezen, bij een gemeentelijke herindeling in Noord-
Duitsland, voor de eerste keer een eigen administratieve eenheid, toen de drie Ambten Zuid-Tønder, Husum en Eiderstedt werden samengevoegd en de naam Nordfriesland werd ingevoerd. Niettemin wonen alleen in het westelijke deel van de nieuwe gemeente mensen die zich Friezen noemen.

De Friese eilanden in de Waddenzee vormen een lange rij van smalle eilanden en halligen, die zich van het Noordwestelijke deel van Nederland bij Den Helder tot de Baai van Ho bij Esbjerg uitstrekken; in totaal gaat het om een veertigtal bewoonde en onbewoonde eilanden, waarvan er een tiental Nederlands, 27 Duits en tenslotte 4 Deens zijn. De meeste van de eilanden zijn halligen, die 2 keer per etmaal deels onderspoelen, zoals bijvoorbeeld de enige Deense hallig, het vogelreservaat Jordsand. De Deense eilanden Rømø, Mandø en Fanø behoorden vanaf vroegere tijden alle drie tot de Noordfriese eilandengroep. Op veel kleine geïsoleerde eilandgemeenschappen hebben de oorspronkelijke Friese dialecten het langst overleefd. Op de Deense eilanden is de Friese taal echter al lang geleden in de vergetelheid geraakt.

Ten noorden van de Deens-Duitse grens schijnt de hierboven genoemde
Friese identiteit bijna geheel te zijn verdwenen. Men kan zich afvragen waarom. Op enkele kilometers ten zuiden van de grens bloeit het Friese verenigingsleven volop, terwijl de families en verwanten ten noorden van de grensrivier schijnbaar hun wortels hebben doorgesneden.

Hobro 2006

Benny Siewertsen