Twee Deense Friezen

Het is niet helemaal correct de twee onderstaande personen "Deense Friezen" te noemen. Ze kwamen beide uit Friese families, maar woonden ten noorden van de grens en waren Deense staatsburgers. De ene beschouwde zich zelf,
hoewel hij een groot deel van zijn leven in Denemarken woonde, niet als Deen, maar als Duitser. De andere gaf in ieder geval in zijn jeugd uitdrukking aan Deense sympathieën, maar zei dat hij Fries was en geen Deen. Hij ontketende een van de meest spectaculaire opstanden tegen de Deense autoriteiten. Voor zover bekend, waren daar enkele Friezen bij betrokken.

Die personen waren kunstschilder Emil Nolde en boer en agitator Cornelius Petersen van Vesteranflod bij Rudbøl.

Wat hier wordt geschreven over deze twee erg verschillende persoonlijkheden, die beide grotendeels in de vorige eeuw leefden, is dat hun uiteindelijk totaal verschillend lot en levensverloop, lijkt te passen in, wat velen zien als typisch Fries.

Opnieuw moet worden onderstreept dat "typisch" een erg rekbaar begrip is, dat misschien wel niet eens kan worden waargenomen. Het is echter wel zo dat mensen van hetzelfde land of streek, bepaalde gelijke trekken ontwikkelen, die bij de afzonderlijke individuen meer of minder naar voren komen.

Er wordt vaak gezegd, dat koppigheid een typische trek van de Friezen is, net zoals een zekere strijdbaarheid en een sterke betrokkenheid bij de zaak. Men bijt zich erin vast en legt vervolgens een heetgebakerde strijdbaarheid aan de dag. Daarbij vergeet men vervolgens vaak de plaats in het grote geheel. Dit kan een positieve houding zijn, die vaak tot resultaten leidt, maar het kan ook op grote persoonlijke schade uitdraaien.

Cornelius Petersen (1882 – 1935) was een van de Friese strijders. Hij kwam van een vooraanstaande Friese familie in Eiderstedt, maar woonde het grootste deel van zijn leven in de streek tussen Rudbøl en Møgeltønder. Daar was hij eigenaar van een grote zogenoemde "haubarg" in Vesteranflod. Het was een typisch Friese boerderij, hoog op een terp gelegen in het lage en vlakke landschap van de marsgronden. De naam van zijn boerderij was ontleend aan een oude kerk, "Anæflyth", die bij een stormvloed verdween. De boerderij in Vesteranflod is helaas al lang geleden afgebrand en op die plaats is daarna een heel gewone boerderij herbouwd.

Hij was één van de waarschijnlijk vele Friezen in Eiderstedt, die naar de Deens sprekende gebieden in het noorden verhuisden, omdat zij zich er niet mee konden verzoenen dat het schiereiland Eiderstedt 100% Duitstalig werd. Hij streefde een zelfstandig Friesland na, in een samenwerkingsverband met Denemarken. Hij was er van overtuigd, dat de droom van een vrij Friesland zo grotere mogelijkheden had om te worden gerealiseerd, dan in het grote alles dominerende Duitse keizerrijk.

Cornelius Petersen werd één van de eerste toonaangevende pleitbezorgers voor een moderne Friese beweging, in samenwerking met Denemarken. Hij trok, geheel conform de gewoontes in de eerste decennia van de twintigste eeuw, met vlammende betogen in het Duits de aandacht met zijn Deensvriendelijke houding en werd een centrale figuur in de Friese strijd.

In gesprekken en vele brochures rekende hij af met Duitse aanwezigheid en hun vreemde heerschappij in West-Sleeswijk. – Hij verkondigde dat de Duitsers zich de macht in het landsdeel ten onrechte hadden toegeëigend: - "De Holsteinse ridder dringt ons land binnen (Ahlefeldt, Reventlow, Pugowisch, enz.). Dominees en academici volgen hen en nestelen zich meer en meer in ons Deens en Fries sprekende volk en voeden het in vreemde geest op".

Vooruitlopend op de stemming over de hereniging in 1920 spoorde Cornelius Petersen in geweldige toespraken de Friezen aan om op Denemarken te stemmen. Het was dan ook een grote teleurstelling voor hem, dat het resultaat een nieuwe nationale grens bij de Vidå was en de stemming in zone 3 werd afgelast. Hij gaf het echter niet op. In oktober 1920 vaardigde hij een geschrift uit: "Die friesische Bewegung" (De Friese beweging), waarin hij onder andere schreef: "Van buiten komt er geen Friese beweging; die kan alleen maar van de Friezen zelf komen. Als de scholen geen les in de Friese geschiedenis geven, dan mag de bevolking dat zelf doen en hij die zijn geboorteplaats kent, die mag de kennis daarover verder verbreiden".

Dat was de aanleiding tot het ontstaan van een kleine, Deens georiënteerde, Friezenvereniging. Cornelius Petersen kreeg echter slechts een geringe in-vloed. Velen vonden zijn optreden te onbeheerst en te bezeten. Men verloor het vertrouwen in hem en langzamerhand verdween hij uit beeld.

Daarmee was men echter niet klaar met Cornelius Petersen. Tijdens de landbouwcrisis aan het eind van de twintiger jaren van de vorige eeuw, die de boeren in het net herenigde Zuid Jutland zwaar trof, legde hij de schuld bij de regering in Kopenhagen. Hij beschuldigde de Deense regering ervan net zo onderdrukkend op te treden als de Duitse. Zoals de man was, wilde hij het onrecht, waar naar zijn mening sprake van was, bestrijden. Daarom richtte hij in 1925 de organisatie "Zelfbestuur van de Boeren" op, die zelfbestuur eiste voor het zuidwestelijke deel van Zuid Jutland. De beweging kan nauwelijks Fries worden genoemd, maar zijn Friese temperament en zelfstandigheidsdrang waren ongetwijfeld een wezenlijke energiebron bij zijn werk. Hij zette al zijn krachten, al zijn energie en vermoedelijk een groot deel van zijn vermogen, voor de zaak in.

Zijn heetgebakerde temperament leverde hem in 1926 een boete van 2000 kronen op vanwege een artikel met een aanval op Staatsminister Thorvald
Stauning. De Staatsminister had op een bijeenkomst in Bov, in Zuid-Jutland, vrij onverstandig gezegd, dat het niets zou betekenen, wanneer 50.000 boeren hun boerderij zouden moeten verlaten, omdat er 50.000 werklozen klaar stonden om hun eigendommen over te nemen.

Deze ondoordachte uitspraken maakten Cornelius Petersen woedend. In zijn artikel vroeg hij zich af of Stauning nu een misdadiger of een premier was. Verder schreef hij dat de Deense staat door rovers werd geleid, die er op uit waren de boeren te plunderen – óf de zeeroverkapitein (Stauning) zou dood moeten gaan, óf het volk zou ten gronde gaan.

Hij had goede mogelijkheden om zijn standpunten naar buiten te brengen, want hij was eigenaar van een drukkerij in Tønder en uitgever van het dagblad "Tondernsche Zeitung", dat hij in 1919 had verworven.

Cornelius Petersen liet eigen bankbiljetten maken voor zijn zelfbestuurvereniging. Die werden 4 juni 1927 in omloop gebracht. De beweging ging uit van een stabiele valuta, gebaseerd op goud. De biljetten werden vermoedelijk in Hamburg gedrukt en ze werden uitgegeven door de zogenoemde S.O.S. - kas (Selvstyre Organisations Seddelbank) ("Geldcoupurebank van de zelfbestuursorganisatie"). Vandaag de dag zijn die bankbiljetten een geliefd verzamelobject.

Pogingen om aanhangers in het lokale bestuur en zelfs in de Rijksdag verkozen te krijgen, mislukten. De bedachtzame bewoners in de streek rond Tønder vonden zijn voornemens waanzinnig en hij kreeg slechts een paar stemmen.
Uiteindelijk maakten de autoriteiten een einde aan zijn lichtzinnige plannen en de rechtbank in Tønder gelastte hem zijn politieke activiteiten te stoppen.

Uit teleurstelling meldde Cornelius Petersen zich aan bij de nazistische partij, maar hij was opgebrand en ziek en werd in een ziekenhuis voor geesteszieken opgenomen, waar hij stierf.