De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Waar komen de Friezen vandaan > De moeilijkheden van Hans Christian Andersen

De moeilijkheden van Hans Christian Andersen

Hoe moeilijk de Friezen bereikbaar waren, kan men lezen in de werken van H.C. Andersen, die in 1840 een verschrikkelijke reis ondernam van Flensburg naar Dagebüll, aan de westkust. Van hieruit zou hij verder varen naar het eiland För, om de Deense koning Frederik de Achtste te bezoeken.

In zijn roman "De twee baronessen" beschrijft de dichter de inspanningen: "Om twee uur ‘s morgens reden wij Flensburg uit op een grote Nederlandse mandenwagen. We moesten zo vroeg vertrekken om er zeker van te zijn bij vloed in Dagebüll aan te komen. Stap voor stap kwamen wij vooruit.

Een landweg, waarop een massa regenwater stond vormde een lang stuk van de reis. Eigenlijk was het helemaal geen landweg meer, maar een kanaal, waar de paarden doorheen waadden. Later ging het door zwaar zand. Heel af en toe passeerde men een huis en zelden werd men een kerktoren gewaar. Een
schreeuwende vogel werd nog lang gehoord, verder was alles eentonig en stil.

Niemand in de wagen zei ook maar één woord.

Kort voordat het licht werd, naderden we de eerste bevoorradingsplaats, die aan de buitenkant van een klein dorpje lag. De lucht werd nu kouder dan daarvoor. De gelagkamer waar we binnen kwamen was erg ongezellig. De vloer lag dik bestrooid met vochtig zand.

De paarden hadden het hunne gekregen en de koetsier beloofde dat het vanaf nu snel zou gaan; later, toen ze in de marslanden kwamen, zou echter blijken dat dat niet het geval was.

Volgens de koetsier zou de weg daar bijna onbegaanbaar worden en de
paarden zouden er tot de dijen in zakken. Desondanks geloofde hij dat ze nog wel een halve mijl per uur konden halen.

De wolken werden roder, de maan verbleekte en het werd licht. Hier, op het hele traject van Flensburg tot aan de Noordzee, wisselden het Duits, het Deens en het Fries elkaar af. De drie talen losten in elkaar op.

De vlakke groene marsgronden strekten zich uit vanaf de weg; de lange stille kanalen waren door de langdurige regen buiten hun oevers getreden en hele gebieden stonden onder water. Op de enkele hoge plekken, waar de herders zich over voort moesten slepen, waren kuddes schapen te zien.

De boeren gingen ver het water in om het nog niet helemaal rijpe graan af te snijden. De hele dijkweg zat zo vol gaten en was zo modderig, dat het eigenlijk niets meer van een weg had.

Voortdurend liepen de paarden het gevaar de benen te breken en, waar ze andere rijdende wagens tegenkwamen, was het een echt kunststuk om elkaar te passeren en niet in het water of in een boerenveld terecht te komen.

Het kostte meer dan 2 uren om een mijl te vorderen; een dikke vochtige nevel kwam op ons aan rollen. Dat waren de zo genoemde zeedampen. De bitterzoute smaak drong in mond en ogen. Al snel reden we een wolk in die zo ondoorzichtig was, dat bijna iedereen die hier rijdend langs zou komen, zo goed als direct met de paarden in botsing zou raken. Het zal vandaag nauwelijks mogelijk zijn van het vasteland naar de eilanden te komen. Het ziet er naar uit dat er in Dagebüll, het kleine veerplaatsje, van waaruit men naar het vakantie-eiland För vertrekt, overnacht zal moeten worden.

Wij waren totnogtoe geen echte herberg tegengekomen. We moesten breiwerk ophalen bij een welvarende marsgrondboer, een echte Fries, trots en zelfingenomen, koning in zijn huis; zich ervan bewust dat Dageböl de grootste stad was in een omtrek van mijlen.

Dagebüll ligt dicht tegen de dijk, die de stad en omgeving beschermt tegen de onrustige Noordzee. De wagen schoof vervaarlijk over de stenen brug heen en weer en hield uiteindelijk voor de herberg stil, indien men de boerderij tenminste zo durfde te noemen.

Een grote breedgeschouderde man verscheen in de deur en zei ons vervolgens buiten goedendag. Het scheen hem te spijten vreemdelingen te zien, die hij niet verwachtte. Het was de waard zelf.

Nadat hij helemaal geen reactie kreeg, had de waard opnieuw zijn plaats aan het eind van de tafel ingenomen.We gingen de openstaande deur binnen naar de volgende kamer, die vervolgens weer uitkwam op de keuken. Hier bevond zich de echtgenote. Zij scheen het erg druk te hebben en zag er ruw en trots uit. Het feit dat wij kwamen bracht haar in een mildere stemming. Zij wees ons een kleine kamer, met ook nog een bed er in. Het was echter een bijzonder merkwaardige kamer. Het toegangshek naar was een half roer van een gestrand schip en het voetstuk was van echt mahoniehout met houtsnijwerk. De deur was ook uit de zee afkomstig. Witte muren en nat zand op de vloer, dat was het gehele ameublement".

De dag erna voeren H.C. Andersen en zijn gezelschap met vloed naar För. De dichter verzamelde daar tijdens zijn verblijf veel verhalen over de verwoestingen door de zee, de overstromingen, stormen, het wegspoelen van zand, schipbreuken en over de ontelbare menselijke tragedies.