De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Waar komen de Friezen vandaan > Een Fries koninkrijk

Een Fries koninkrijk

Omstreeks het jaar 400 stichtten de Friezen hun eigen staat, in het gebied dat nu het noordelijk deel van Nederland vormt. In de 6e eeuw begonnen geschreven bronnen melding te maken van Magna Frisia, Groot Friesland, dat een belangrijk rijk in het noordelijke deel van Europa werd. Vooral in de jaren 500 en 600 was sprake van een snelle toename van handel met andere landen en van een toenemende invloed in Europa. Ten tijde van de maximale omvang van het grondgebied in de 7e eeuw, omvatte het Friese rijk het gebied van het noorden van Belgi tot het westelijke deel van de kustgebieden in het zuiden van Denemarken. De Friezen controleerden een groot deel van de handelsroutes in de Noordzee, die daarom de "Mare Frisicum" werd genoemd; de Friese zee. Tegen het einde van de IJzertijd waren de Friezen een van de belangrijkste zeevarende volkeren.

De Friezen stonden bekend als goede handelaren. Er wordt gezegd dat zij Ribe, als een van hun dichtstbijzijnde handelsplaatsen, stichtten. Er zijn Zweedse onderzoekers, die denken dat Birka, de Zweedse stad uit de oudheid op het eiland Mlar, door de Friezen als handelsplaats is gesticht. Men gaat er van uit dat Birka een Friese handelskolonie was en dat er nog steeds nakomelingen van de Friezen in het zuiden van Zweden wonen.

In de historische stad Haddeby bij de stad Sleeswijk, aan de Sleeswijkse oostkust hebben archeologische vondsten, o.a. muntvondsten, aangetoond dat de Friezen ook hier handel hebben gedreven. Zij kwamen met hun waren helemaal tot het westen van Rusland.

Het Friese rijk bestond ruim 200 jaar, tot 719, toen vijanden, zoals de Franse en Nederlandse graven, het land veroverden. Alleen in die periode was er dan ook sprake van een zelfstandige Friese staat. Als volk leefden de Friezen echter verder in het gebied dat daarna hoorde bij Nederland, Duitsland en Denemarken. Meer dan 1500 jaar lang slaagden ze er in hun eigen taal te bewaren. Die taal bleef in een groot deel van het verdwenen koninkrijk als dagelijkse taal in gebruik.

Het lijkt er op dat de Friezen, in de tijd dat ze hun eigen staat hadden, tot het christendom zijn overgegaan. In ieder geval wordt gezegd dat de eerste christelijke missionaris die naar Denemarken kwam, de Fries Willibrord was. Hij had niet erg veel succes bij zijn eerste poging om het christendom onder de Denen te prediken. Hun koning is, schreef hij later, "harder dan steen en wilder dan een dier". De koning was echter niet zo slecht dat hij hem toestond 30 jongens mee naar Friesland terug te nemen om het "Christendom te leren". Friese missionarissen introduceerden daarna, in ieder geval in het westelijke deel van het land, het christendom. Volgens een mythe zou het christendom door koning Harald Blauwtand in Denemarken zijn ingevoerd, nadat de
Friese priester Poppo, die later bisschop werd, hem er van overtuigd had dat de God van de christenen de grootste was. De koning wilde, voordat hij er mee instemde, eerst een vuurproef van hem zien. Poppo nam een ijzeren hand-
schoen en stak die op de binnenplaats van het kasteel in het vuur. De handschoen werd roodgloeiend en toen hij zijn hand er uit trok, was die onbeschadigd.

Rond het jaar 1000 waren in Ribe ,de oudste stad van Denemarken, twee van de eerste bisschoppen Friezen (Liafdag en Val). De streek rond Ribe ligt ten noorden van Sleeswijk en ten noorden van de grens van 1864. Net als de eilanden Man en Fan heeft die stad veel herinneringen aan de Friese bouwstijl, die vroeger voor de hele Waddenzeekust kenmerkend was.

De meeste Friese koningen worden in de kronieken beschreven als ge-duchte krijgers, die onder meer vochten met de Denen. Van deze koningen zijn trouwens alle namen bekend.

De bekendste is wel koning Finn Folcwalding, die trouwde met een
Deense prinses. Volgens het mystieke en bloederige Oudengelse heldendicht "Beowulf", dat naar men vermoedt, opgesteld is uit oude Deense, Zweedse en IJslandse sagen, voerde hij oorlog met de Deense held Beowulf. Het heldendicht bevat gruwelijke magie en huiveringwekkende geschiedenissen met het hele repertoire aan verschrikkelijke monsters, draken, demonen en trollen, evenals wrede strijden, brutale moorden, edele helden en gewetenloze verraders; bronnen van inspiratie voor ontelbare griezelhistories. Het is n van de oudste geschreven Europese epossen, dat mogelijk op echte gebeurtenissen is gebaseerd. Het is geschreven in de jaren tussen 550 en 700 na Christus.

In het British Museum wordt een erg versleten kopie van het oude manuscript van rond het jaar 1000 bewaard. Het is met Romeinse letters geschreven, maar als men het Romeinse woord voor een bepaalde uitdrukking niet kende, werden af en toe runentekens gebruikt. Het was de eerste keer in de Europese literaire sagendichtkunst dat Friezen een rol spelen. De taal is Oudengels en kan heel goed een soort Fries zijn geweest. Een bewijs dus van nauwe taalkundige en culturele banden over de Noordzee.

Daar kan direct bij worden vermeld, dat veel Britse schrijvers "Beowulf" aanduiden als uitgangspunt voor latere beroemde literaire werken, zoals J.R.R. Tolkiens "In de ban van de ring" en J.K. Rawlings "Harry Potter". Hetzelfde geldt voor eerdere geschiedenissen over Koning Arthur en de ridders van de ronde tafel en andere middeleeuwse Engelse verhalen. Richard Wagners muziekdrama "De Nibelungenring" lijkt eveneens dezelfde oorsprong te hebben.

De herkomst van "Beowulf"is niet bekend, maar het grote epos is n van de vele mythen over de krijgshaftige heldendaden van de Friezen. Een andere is de geschiedenis van het Friese wapenschild, dat een veld heeft met een soort etenspan tegen een rode achtergrond, ter herinnering aan een strijd tussen Friezen en Denen op het eiland Sylt. Deze geschiedenis zal verderop in dit boek aan de orde komen.

De Friezen hebben ook aan de Deense kant gestreden. Saxo vertelt in zijn "Deense geschiedenis" over een geweldige krijger, Ubbe Friser (Ubbe de Fries), die Jutland verwoestte en daarbij veel moorden onder de bevolking pleegde. Het was niet mogelijk om hem met een gewapende macht te verslaan, dus werd hij met een list gevangen. Omdat er echter in de vele oorlogen behoefte was aan zon sterke kerel, werd hij in de lijfwacht van de koning opgenomen. Hij trouwde met de zuster van de koning. Ubbe kreeg naam als koning Haralds behendigste krijger en was groter dan iedereen. Tijdens een veldslag tegen de Zweden ging hij tot de aanval over. In de voorste linies van de vijand wierp hij zich in de strijd op plaatsen waar de Zweden het dichtst opeen stonden. Hij joeg hen met speer en zwaard alle kanten op, zodat ze met de schrik in de benen moesten vluchten. Niemand durfde met hem een direct duel aan te gaan en men beperkte zich tot het gebruik van de katapult en pijlen op lange afstand. Hij werd doorboord, er zaten 144 pijlen in zijn borst, waarop zijn lichaamskrachten afnamen en hij door de knien ging. De Denen verloren daarop de strijd.

De beschrijving van Saxo over de burgeroorlogen tussen de Deense troonopvolgers Sven, Knud en Valdemar in zijn Kroniek van Denemarken is erg uitvoerig. Dat komt omdat de gebeurtenissen plaats vonden rond 1200. Toen had Saxo namelijk de mogelijkheid de bloedige gevechtshandelingen, waar de Friezen ook in betrokken raakten, persoonlijk te volgen.

Saxo schrijft: "Intussen was Knud, tezamen met de paar mannen die hem tijdens de verbanning vergezelden, naar Klein Friesland, dat ook tot het
Deense grondgebied behoort, getrokken. Het is een streek met rijk akkerland en een groot bestand aan vee. Het land ligt echter ook laag en direct aan zee, zodat met vloed het land af en toe onder water staat. Om te voorkomen dat het water er binnendringt en dorpen en oogsten overstroomt, liggen er langs de hele kust dijken. Er zijn in die omgeving geen gebieden die van nature hoger liggen. Vaak neemt het water de grond van de velden mee en brengt het naar andere plaatsen. Er blijft dan een waterplas over waar eens het land was. De grond wordt vervolgens bezit van de eigenaar van de bodem waar het slib wordt afgezet. De overstromingen zorgen echter ook voor vruchtbaarheid; de grond heeft gras in overvloed.

Wanneer de grond droog is, kunnen ze er zout uit koken. De landerijen worden de hele winter bedekt met water en de velden en weilanden lijken n groot meer. Omdat je het land het ene jaargetijde kunt bevaren en het een ander deel van het jaar geploegd wordt, is het moeilijk om vast te stellen of je nu met land of met zee te maken hebt.

De inwoners zijn van nature ruw. Ze zijn handig en vermijden lastige en zware wapens. Ze gebruiken kleine schilden en vechten met de katapult. Hun landen worden omgeven door kanalen. Om daar over heen te springen gebruiken ze stokken. Hun huizen bouwen ze op verhogingen van grond.

Dat ze van de Friezen afstammen blijkt wel uit het feit dat zij zichzelf zo
noemen en dat ze ook die taal spreken.

Op een gegeven moment zochten ze een nieuwe plaats om zich te vestigen. Ze gingen naar een gebied, dat in beginsel zompig en nat was, maar dat ze door lang bewerken hebben drooggelegd.

Uiteindelijk kwam dat gebied onder de macht van de Deense koning te vallen".

Verder verhaalt Saxo, dat de Friezen vriendelijk waren tegen Knud, toen die door Sven werd vervolgd en hij hen om hulp vroeg. Hij beloofde hen een zekere verlaging van de belasting, die ze gewend waren te betalen. Uit dank-baarheid bouwden de Friezen een vestingwerk bij de Milde Aa, waar hij tijdelijk kon wonen.

"Sven, die koning was, verzamelde zijn Jutse troepen en trok naar de nieuwe stad. Door de moeilijke natuurlijke omstandigheden kon de koning de stad echter niet omsingelen. Daarom richtte hij een kamp in en bereidde zich voor op een lange belegering. Enkele jonge Friezen werden tijdens deze belegering ongeduldig en, om ze op de voor hen gebruikelijk manier te provoceren, sprongen ze met behulp van hun springstokken over de beken en waterlopen en overvielen de rondzwervende tegenstanders. Met deze doldrieste aanval richtten ze grote schade aan.

Toen het leger van de koning uiteindelijk zegevierde kwam er een einde aan de veldslag. De koning was echter bang door de Friezen voor gewelddadig te worden aangezien en ze kwamen er met een boete van 2000 mark af. Daarnaast moesten ze de gijzelaars loslaten".

De citaten van Saxo zijn van Peter Zeebergs nieuwe vertaling van de oude Deense kronieken uit het Latijn.

Er zijn ontelbare verhalen over de wijze waarop de Friezen keer op keer hun land tegen krijgsheren moesten verdedigen. Deze krijgsheren smachtten naar meer land en wilden zich een deel van de Friese rijkdommen toe-eigenen door hen schatplichtig te maken. De natuur stond echter aan de kant van de Friezen. Het was moeilijk om met grote zwaarbewapende legers in deze waterrijke marslanden te manoeuvreren.

Nadat zijn leger door de zich gemakkelijk verplaatsende Friezen was verslagen, werd de Deense koning Abel in 1252 op een leeftijd van 34 jaar ver-moord door een wielmaker van het eiland Pellworm, genaamd Plov.

De Friezen werden dus tot op zekere hoogte beschermd door hun land, dat, zoals gezegd, moeilijk toegankelijk was.

Men zou misschien kunnen denken dat het beroemde Deense vestingwerk Dannevirke, dwars door heel Sleeswijk zou lopen. In feite is de wal echter maar acht kilometer lang, met het beginpunt bij de stad Sleeswijk. Verder naar het westen was geen vestingwal meer nodig, want vanaf daar was het land helemaal tot aan de Waddenzee zo zompig, dat het zo goed als ondoordringbaar was voor mensen die niet ter plaatse bekend waren.