De vergeten Friezen in Denemarken
Voorpagina > Waar komen de Friezen vandaan > PerziŽ of IsraŽl

PerziŽ of IsraŽl

Ooit, in het begin der tijden, moeten de voorvaderen van de Friezen, nadat Noord Europa duizenden jaren voor mensen onbewoonbaar was geweest, van ťťn of ander gebied uit het oosten zijn gekomen. Er zijn opnieuw verschillende mythen die daarvan getuigen. Laten wij eerst die mythen en de bestaande kronieken eens in ogenschouw nemen.

We beginnen met de Deense nationale dichter Hans Christian Andersen, die in zijn roman "De twee baronessen" een reis naar het eiland FŲr beschrijft. Hij was daar rond 1840 uitgenodigd voor een zomervakantie bij Koning
Christian de Achtste en de koningin. Hans Christian Andersen kwam natuurlijk ook Friezen tegen en vertelt over de marsgronden "waar de Friezen wonen, het oeroude volk, waar Herodotus en Xenophon al over vertelden dat ze uit PerziŽ kwamen".

H.C. Andersen gaat niet verder op deze bewering in, maar in de genoemde roman vertelt hij wel veel over de Friezen.

Er bestaan andere mythen over de oostelijke herkomst van de Friezen. Een van de meer speculatieve wordt door de Engelsman Bert Otten op zijn homepage www.originafnations.org verteld. Hij houdt zich daarop onder meer bezig met het vergelijken van teksten van de bijbel, de Joodse Encyclopedie en de Encyclopaedia Brittannica. Ook zoekt hij andere geschriften om te bewijzen, dat de Friezen voortkomen uit het volk van stamvader Issaschar, ťťn van de twee verdwenen Joodse stammen, die volgens de legendes door God uit het heilige land werden verbannen, omdat ze bij hun religieuze activiteiten mensenoffers brachten. De leden van Issaschars volk worden in de bijbel beschreven als geharde, agressieve krijgers en kundige landbouwers en veetelers.

Bert Otten heeft uit deze bronnen een aantal gelijkenissen in gedrag gedestilleerd tussen de oude Joden en de Friezen, die zich in Noord-Europa vestigden en waarvan wordt gedacht dat ze ongeveer tweeduizend jaar geleden ťťn van de grote dominerende volksstammen waren. Zijn argumentatie is niet overtuigend, maar er worden daarentegen ook geen andere bronnen gevonden die een goede verklaring kunnen geven op de vraag waar de mensen, die de noordelijke streken na de laatste ijstijd koloniseerden, dan wťl vandaan komen.

In dat verband wordt gewezen op de mystieke tekens op de gouden hoornen Ė de grootste Deense goudschat, die ooit is gevonden en waarop we later zullen terugkomen. De hoornen zijn voorwerp geweest van velerlei uitleg. Enkele theorieŽn gaan er van uit dat de op de hoornen gevonden tekens doen herinneren aan oude Joodse symbolen.

Nederlandse taalonderzoekers hebben daarnaast ook nog uitgezocht dat enkele woorden in de Friese taal lijken op woorden met dezelfde betekenis in het OekraÔens. Misschien een andere indicatie voor oostelijke kontakten.

Wanneer men 3.000 jaar teruggaat in de tijd, dan worden de mythen langzamerhand vervangen door meer concrete kennis, voornamelijk als resultaat van Duits, Engels en Nederlands onderzoek. Gepubliceerd Deens onderzoek over de oorsprong van de Friezen wordt daarentegen maar weinig gevonden.

Interessant is een verslag van het Engelse onderzoeksteam Boudicca Bard, dat is genoemd naar de Engelse heldenkoningin Boudicca- een soort Engelse Cleopatra Ė die omstreeks het jaar 0 in opstand kwam tegen de Romeinse bezetting. Daarnaast zijn er nog veel niet wetenschappelijke bespiegelingen en hypotheses, die echter toch wel redelijk waarheidsgetrouw lijken. In dit onderzoek wordt verteld hoe de Friese stammen het noordelijke deel van Nederland, het noordwestelijke deel van Duitsland en de kustgebieden en eilanden langs de Waddenzeekust tot de oudste Deense stad Ribe, bevolkten.

Volgens Boudicca Bard emigreerde het volk, dat zich later Friezen noemde, uit ScandinaviŽ, Denemarken, Noorwegen en Zweden. Na een grote volksverhuizing koloniseerden zij gebieden in het huidige Duitsland, Nederland, BelgiŽ en Noord Frankrijk. In de periode tussen 750 en 700 jaar voor onze jaartelling werden ze gezien als een deel van een grotere volksgroep, de Germanen genoemd. Deze volksgroep bestond voornamelijk uit een Scandinavisch ras (dolichocraÔners-langschedeligen).

Later breidden deze Germaanse stammen zich uit richting Zuid Europa en splitsten zich in een westelijke- en een oostelijke groep (Goten en Vandalen) en een noordelijke Westgermaanse groep (ScandinaviŽrs).

De verschillen zijn volgens deze bronnen nog in taal en cultuur terug te vinden.

Dat de noordelijk groep uit ScandinaviŽ afkomstig is, kan worden geveri-
fiŽerd aan de hand van studies over gewoontes bij begrafenissen. De Westgermanen worden, aan de hand van religieuze gebruiken, verder in drie stamgroepen opgedeeld. De Friezen behoorden volgens deze theorieŽn tot een groep die "de inguaeoners" werd genoemd. Andere volken, die ook tot de inguaeoners behoorden, waren de Jutten, de Angelen en de Saksen. Hiervan waren de Saksen het meest verwant aan de Friezen. Alle inguaeoners leefden in de kuststreken langs de Noordzee. De Chauken waren een ander volk, dat in dezelfde omgeving woonde. Deze Chauken gingen zichzelf echter later ook tot de Friezen rekenen.

Het is niet duidelijk in hoeverre deze theorieŽn betrouwbaar zijn. Er is dus geen volstrekte zekerheid over de vraag waar de Friezen vandaan komen. De vermaarde tocht van de CimbriŽrs levert echter het bewijs dat er op een bepaald tijdstip een uittocht van het noordelijke Jutland naar zuidelijke streken heeft plaatsgevonden. Vermoedelijk hebben misoogsten of overbevolking voor deze Noordjutse volksstam de reden gevormd voor deze emigratie. In de jaren 103 tot 101 voor Christus vielen zij, samen met de Teutonen, de wereldstad Rome aan. Zij versloegen veel Romeinse generaals, totdat Catalus hen in 101 v.C. bij Vercelli versloeg. Enkelen van hen keerden later met een rijke oorlogsbuit naar Jutland terug.

Men kan pas tussen 700 en 400 voor Christus in de Lage Landen spreken van een specifieke Friese groep, die een eigen cultuur ontwikkelde, waaraan de Friezen vervolgens hun etnische identiteit ontleenden. De Friezen van het noordelijke ras kunnen worden gekarakteriseerd als mensen met smalle gezichten. Dit in tegenstelling tot volkeren van andere stammen, waarvan de leden meer ronde gezichten hebben, zo vertellen Engelse bronnen.

De Friese en overige Noordeuropese stammen hebben zich vermoedelijk al vroeg uitgebreid naar het huidige Engeland, dat, zoals gezegd, na de laatste ijstijd nog met het Europese vasteland verbonden was. Het verschil tussen de verschillende groepen is vermoedelijk echter deels verdwenen toen het zeeniveau hoger werd en de zee uiteindelijk grote gebieden overstroomde. De Noordzee ontstond en Engeland werd een eiland. Langs de huidige Waddenzee moesten veel gebieden worden verlaten omdat de zee er binnendrong.

Af en toe trok het water zich ook weer terug. Dan werden de opnieuw ontstane gebieden weer herbevolkt. Het bestaan van de mensen bleef echter onzeker, totdat men de kunst ontwikkelde om dijken te bouwen en gronden droog te leggen. Men kon er echter nooit zeker van zijn dat de zee niet zou terugkeren en met haar enorme krachten over de dijken zou stromen en opnieuw het land zou verwoesten.

Het bestaan bleef ruw en afschrikwekkend. Dat wordt geÔllustreerd door wat de Romeinse officier Gajus Plinius Secundus de Oude ( 23-79 na Christus), die bij de noordelijke grens in GermaniŽ was gestationeerd, volgens de "Staatkundige geschiedenis van Denemarken" schreef:

"Twee keer per dag, overdag en Ďs nachts, begeeft de oceaan zich met een geweldige stroom over het vreselijke gebied en bedekt het in een op en neergaande strijd. Hier woont een ellendig volk, wiens hutten zijn aangebracht op hoge heuvels, die lijken op spreekgestoeltes. De heuvels zijn met mensenhanden gebouwd en zo hoog opgeworpen dat ze tot boven de hoogste waterstand reiken.


Landkaart van Holstein uit 1650 geeft de gebieden aan die "Blanke Hans" - de vraatzuchtige zee - toen nog niet had veroverd.

Wanneer de golven het omliggende land bedekken, lijkt het alsof de bewoners varen. Als de golven zich weer hebben teruggetrokken, lijken ze op schipbreukelingen. Vanuit de hutten vangen ze de vissen, die met de zee op en neer gaan. Het houden van vee is deze mensen niet gegund en ze kunnen zich daarom ook niet met melk voeden, zoals hun buren in het binnenland. Ja, ze kunnen zelfs niet eens op wilde dieren jagen, omdat je er niet zoiets als bossen vindt, waar de dieren zich kunnen ophouden. De bewoners vlechten hun visnetten met garen van helmgras en biezen. Met hun handen verzamelen zij modder en wanneer dat droog is - meer door de wind dan door de zon - verwarmen ze hun maaltijd en hun door de noordenwind verstijfde ingewanden door het verbranden van die grondsoort. Ze hebben niets anders te drinken dan regenwater, dat ze in putten in de hal bewaren ".

De historische verslagen over de Friezen gaan terug tot het jaar 200 voor Christus. Het eerste schriftelijke bewijs van het bestaan van de Friezen wordt pas in het jaar 12 na Christus, bij de Romeinse historicus Plinius, gevonden. Hij lokaliseerde hen als wonend in de buurt van de Rijnmonding.

Plinius noemde hen Frisli en ze worden door andere Romeinse schrijvers als grote, blonde en blauwogige mensen aangeduid. De taalwetenschappelijke verklaring voor het Germaanse woord Freisias (Friezen) komt van het Indo-europese Preisios, dat is afgeleid van de grondvorm "prei-", hetgeen liefhebben betekent. Dat is op zich weer afgeleid van de Scandinavische godin Freya, waarvan wordt gedacht dat ze de vrouw van Odin was. In de Scandinavische mythologie is Freya de godin van de seks en de liefde; een Scandinavische, wat promiscue Aphrodite. Freisias kan ook worden uitgelegd als "zonen van Freya". Een niet oninteressante uitleg.

De Romeinse geograaf Claudius Ptolemaeus werkte omstreeks het jaar 150 na Christus in AlexandriŽ, in Egypte, een lijst van plaatsnamen in het noordelijke deel van Europa uit. Deze namen werden in de 15e eeuw ingetekend op de Europese landkaart. De kaart vermeldde ook de namen van de volksstammen die rond de Noordzee waren gevestigd. Archeologische vondsten hebben veel van deze oude geografische informatie kunnen bevestigen.

Ptolemaeus vertelt, dat de Saksen in Zuidwest-Jutland woonden, van Ribe naar het zuiden, als ook in Noordfriesland en Dittmarschen, tot aan de Elbe. Tussen de Elbe en de Weser woonden de "grote Chauken", terwijl de "kleine Chauken" in het huidige Oost Friesland woonden. De Friezen zelf woonden in het gebied tussen de rivier de Eems en de Rijn. Als men zich op Ptole-
maeus baseert, dan hebben in de Romeinse tijd van 800 voor Christus tot 400 na Christus geen tot de Friezen behorende stammen in Oost- en Noordfriesland gewoond.

Een kaart van Noord-Europa uit ongeveer 1200 geeft aan dat in de streken, die het grootste deel van het land Sleeswijk van de Waddenzee naar boven tot en met het schiereiland Angel omvatten, een volk woonde dat zich zelf Friezen noemde. Dat is dus ook een groot deel van de streek die nu Zuid-Sleeswijk wordt genoemd, het gebied van Ribe naar beneden tot een stuk voorbij de stad Sleeswijk. Op de kaart worden de Saksen zuidelijk van dit gebied gelokaliseerd in de streek, die ongeveer overeenkomt met het huidige Holstein. De grote en kleine Chauken bewonen dan het noordelijke Holland, als buren van de Friezen.

Het lijkt er op alsof in het 1e millennium na Christus grote verwarring heeft geheerst over de vraag wie tot welke stam behoorde. Dat kan zowel te danken zijn aan het feit dat men lokaal op grote schaal onderling huwde en het daarom moeilijk had de identiteit te behouden, of dat de schrijvers van kronieken er ook geen echte grip op hadden.

De Romeinse geschiedschrijver Publius Tacitus (ca 55-120 na Christus) hield zich in zijn werk "Germania" met de Friezen, of de Chauken bezig.

"Deze uitgestrekte gebieden zijn niet alleen bezit van, maar worden ook bewoond door de Chauken, een volk dat erg geroemd wordt in GermaniŽ. Dit volk geeft er de voorkeur zijn grootheid op een rechtvaardige wijze handhaven. Zonder hebzuchtig of machtsbelust te zijn, leven zij vreedzaam en afzonderlijk naast hun buren. Zij provoceren niet tot oorlog en ondernemen geen plunderingen of rooftochten. Een echte getuigenis van hun moed en strijdlust is wel dat zij hun overheersende positie op geen enkele manier gebruiken om de macht uit te oefenen.

Toch hebben ze allemaal het wapen direct binnen handbereik. Mocht het nodig zijn, dan is het leger, dat echt veel manschappen en paarden telt, paraat. Zelfs als ze zich op hun gemak voelen, houden zij zich aan deze gewoonte".

Tacitus situeert de Chauken op de Nederlandse eilanden. Dat kan betekenen, dat de Friezen en de Chauken al vroeg in de oudheid min of meer zijn ver-smolten en vermoedelijk als boeren, zeelieden en handelaars hebben geleefd. Een oud Latijns spreekwoord zegt over de Friezen: "Deus Mare, Froso litoru fecit": "God schiep de zee, de Friezen de kust". Ze bouwden immers dijken om zich tegen de zee te beschermen.

Tacitusí mooie beschrijving van de Chauken, dan wel de Friezen, dateert uit een tijd dat er goede betrekkingen bestonden tussen de Romeinen en de Friezen. Ze hebben overigens behoorlijk om het land ten noordwesten van de Rijn gevochten. De Friezen vonden dat daar de noordelijke grens van het Romeinse imperium lag. De Romeinen waren het daar niet altijd mee eens. Toen die dan ook in het noorden tot de aanval overgingen en de grens verlegden naar de Elbe, moesten de Friezen samenwerking met de Romeinen accepteren. Ze namen daarna ongetwijfeld ook deel aan de verovering van het huidige Engeland door de Romeinen.

Archeologische vondsten bewijzen inderdaad dat de Friezen deelnamen aan de Romeinse invasie en de bezetting van Engeland. Ontelbare vondsten van potscherven van onmiskenbaar Friese keramiekvoorwerpen vertellen duidelijk hun verhaal. De Friezen hebben ook in het Romeinse leger bij de muur van Hadrianus gestreden. Ze maakten daar kleine standbeelden van klei van hun voorouders en de drie godendochters Lyda, Finda en Freya.

Nadat de Romeinen omstreeks 400 na Christus Engeland opgaven, begon omstreeks het jaar 449 een meer dan een eeuw durende immigratie van Noord-
germaanse stammen naar Engeland. In de 6e eeuw verhaalt een Byzantijns historicus met de naam Procopius, dat de invallers Friezen en Angelen waren. Men gaat er van uit dat de Friezen toen nederzettingen in streken in het zuidelijke deel van Kent hebben gesticht.

Na de instorting van het Romeinse Rijk, in 450 na Christus, breidden de Friezen hun territorium uit naar het zuiden en noorden. Samen met andere Germaanse stammen, zoals o.a. de Jutten, Saksen en Angelen, veroverden zij het Keltische BrittanniŽ en vestigden het Angelsaksische imperium. De Friezen hebben zich toen waarschijnlijk in groten getale in de provincie Kent, in het zuidoosten van Engeland, gevestigd.