Zijn de gouden hoornen Fries

De twee gouden hoornen die in de buurt van Gallehus bij Møgeltønder werden gevonden, zijn de grootste en kostbaarste schatten die ooit in Denemarken zijn gevonden. De vondsten stonden los van elkaar, niet alleen op grond van hun waarde in goud, maar ook vanwege hun mystieke decoraties van geometrische figuren en de mens- en dierenfabelfiguren, die alleen op de korte hoorn samen met de runentekens werden gevonden. Cultuurhistorische parels en een nationaal Deens kleinood, waarvan de vertaling en chronologie in vergelijking met andere runenvondsten omstreden zijn. Runologen, archeologen, en taalwetenschappers zijn het er niet over eens, hoe de verschillende tekens moeten worden uitgelegd. De vertalingen en theorieën van runologen over de herkomst, zijn vooral in latere jaren vanuit de taalwetenschap en de archeologie vaak bestreden.

Er bestaan veel vermoedens over de betekenis van de runentekens, maar niemand heeft totnogtoe een echt acceptabele verklaring gevonden. Men is het er wel min of meer over eens dat de gouden hoornen ongeveer uit het jaar 450 na Christus stammen en dat ze vermoedelijk van Scandinavische en deels van Germaanse herkomst zijn. De motieven werden onder anderen uitgelegd als vertellingen uit de Scandinavische mythologie. Ook daar bestaat echter geen eensluidende mening over. De hoornen kunnen drinkbekers zijn geweest, maar dan, gezien hun waarde, alleen maar voor religieus ceremonieel gebruik.

De vraag, waar de hoornen vandaan komen, is eveneens aanleiding voor veel discussies geweest.

Studies over de ornamenten geven geen enkel éénduidig antwoord. Ze kunnen door de Cimbriërs, na hun veroveringstochten in Zuid Europa, vanuit Zuid Frankrijk mee naar huis zijn genomen, of misschien van de rooftochten van de Vikingers komen. Er kan ook niet worden uitgesloten dat ze ter plaatse gemaakt zijn. Nieuwe recente goudvondsten hebben overtuigend bewezen, dat er in vroegere tijden goud in de omgeving van Zuid Jutland werd gewonnen en dat er een lokale goudsmeedkunst bestond.

Ook anderen dan wetenschapsmensen hebben zich met de betekenis van de gouden hoornen bezig gehouden. Men kan wel zeggen dat de zaak door een mystieke sluier wordt omgeven. IJverige amateurs hebben bijzondere theorieën over de magische betekenis van de hoornen ontwikkeld. Zo worden onder andere liefdesmagiën genoemd. De runen zouden liefde kunnen opwekken, maar ook angsten en vloeken, zo beweren de mystici.

In de nationaal-romantische periode werd het belangrijk gevonden de gouden hoornen als van echte Deense, of in ieder geval Scandinavisch/Duitse herkomst aan te duiden. Daarbij kan worden verwezen naar het beroemde nationale gedicht "De Gouden Hoornen" van Oehlenschläger: "Zij streven en zoeken….".

De gouden hoornen zijn in Deense streken gevonden, maar wel in een gebied, waar de Friese taal eeuwenlang voorkwam en waar vermoedelijk altijd Friezen hebben gewoond. Het kan dus heel goed zijn dat zij de oorspronkelijke bevolking vormen en niet de Denen, die volgens de overleveringen pas 75 jaar nadat de hoornen werden gemaakt, het land zijn binnengekomen.

Kantklosster Kirsten Svendsdochter uit Daler, die de eerste en langste gouden hoorn vond bij Gallehus. Schilderij van een onbekende kunstenaar.

De hoornen zijn dus in werkelijkheid misschien wel van Friese herkomst. In de nu volgende tekst wordt gepoogd daar argumenten voor aan te dragen.

Runen vormen een oud alfabet, dat omstreeks het begin van onze jaartelling voor het eerst door Germaanse stammen in het noorden van Europa werd gebruikt. De eerste runeninscripties werden in hout gesneden, of in botten, metaal of ivoor gekrast. De oudste zijn bijzonder zeldzaam. Van deze "futharks" –runentekens- zijn er maar ongeveer 200 exemplaren gevonden. Men denkt dat de oudste runentekens in Zuid-Jutland zijn ingekrast, dus in de omgeving, waarvan algemeen wordt verondersteld dat de Friezen er van afkomstig zijn, of althans sinds oude tijden hebben gewoond.

De runen vormden niet overal in de Noordeuropese streken een identiek alfabet. Er waren lokale verschillen en overlappingen. Het zogenoemde Germaanse alfabet bestond uit 24 letters, terwijl men in de omgeving waar Angelen, Saksen en Friezen woonden, nieuwe runen ontwikkelde, met in totaal 26 letters. Dit alfabet is bekend als het Anglo/Friese alfabet. Aan het einde van de 7e eeuw werd er een Deens/Scandinavisch alfabet ontwikkeld met 16 letters, die bijvoorbeeld bekend zijn van de Jellinge-stenen.

De runeninscripties op de gouden hoornen, die ca. 300 jaar ouder zijn dan die in Jellinge, kunnen dus niet van het veel jongere primitieve Deense alfabet zijn, omdat dat overduidelijk door het Germaanse alfabet is beïnvloed. Waarschijnlijk hebben de Anglo/Friese runen de basis gevormd.

De runen op de kopie van de hoorn zien er als volgt uit:

Hetgeen als volgt herschreven wordt:

Als de runentekens van de hoorn worden opgeteld, dan blijkt dat 29 van de 32 tekens in het Anglo/Friese alfabet voorkomen; 15 worden ook in het Germaanse alfabet gevonden en van het veel jongere Deense runenalfabet komen er slechts 6 voor.

In hoeverre dit er nu het overtuigende bewijs van is dat de tekst Fries is, wordt aan het oordeel van anderen overgelaten. Voor zover bekend heeft de taalwetenschap zich tot op dit moment slechts in geringe mate met een taalkundige analyse van de uitleg van runologen bezig gehouden. Er kan worden aangevoerd dat de Friezen destijds niet iets als een eigen schrijftaal hadden; de Germaanse en Deense stammen hadden die echter ook niet.

Het opschrift luidt in het Nederlands: "Ik Lægæst van Holt, maakte de hoorn" "Holt" betekent in die vertaling "de vader" of "geboorteplaats". Wanneer men, de runologische details even buiten beschouwing latend, een Friese vertaling hanteert, kan de inscriptie misschien iets betekenen als "Ik Læ’s zoon uit het woud, maakte de hoorn". Aangezien het naamwoord in het genitief kan staan, betekent het tweede deel van het woord "lewagastir" misschien wel "zoon"; "holtijar" kan in een bepaalde vorm het Oudfriese woord voor "bos of woud" zijn. Afgezien van taalkundige vermoedens is het waarschijnlijk net zo belangrijk er op te letten waar de hoornen zijn gevonden; namelijk in de buurt van Gallehus bij Møgeltønder. -Gallehus- galgenheuvel - waar men misdadigers en vijanden ophing in de tijd dat Møgeltønder noch echt "Groot-Tønder" was.

Møgeltønder is, naar de naam te oordelen, een belangrijke havenstad geweest tot de toegangsgeulen tussen de Waddeneilanden verzandden. Mogelijk had de stad een levendige handel en natuurlijk een kasteel, een heilige plaats, of een vesting als bescherming. Die kan goed op de plaats hebben gestaan waar nu het slot Schackenborg ligt en waar prins Joachim en prinses Alexandra, tot hun scheiding in 2005, woonden. Het is voorstelbaar dat er op een burcht of met wallen versterkt kasteel een Friese hoofdman of een hoogstaande geestelijke heeft gewoond, die er de voorkeur aan heeft gegeven zijn kostbaarste relikwieën veilig in niet gewijde grond bij de galgenheuvel te begraven, zodat ze niet in handen zouden vallen van binnenvallende vijanden, die de stad eens, in het begin van de Germaanse ijzertijd, verwoestten.

De Friese achtergrond wordt gestaafd door het feit dat het toen ongetwijfeld een Friessprekende streek was. Er werd immers, zoals al is vermeld, zelfs tot in de dertiger jaren van 1900 in sommige gezinnen in Møgeltønder nog Fries gesproken. Tot ongeveer 1500 was in die streken het Fries waarschijnlijk een algemene voertaal, tezamen met het Zuidjuts en het Nederduits. In de be-
roemde Slotstraat van Møgeltønder, met het kenmerk van een 17e eeuws provinciestadje, komt, net zoals bij alle oude boerderijen en huizen in de streek, een sterke invloed van de Friese bouwstijl naar voren.

Zo kan men de gedachtegang voortzetten en de fantasie laten werken. – Fries was vermoedelijk de taal, die de boeren op de marsgronden spraken en zij waren eigenaar van de meeste landbouwgronden. Van daaruit ben je snel bij de aanname, dat de twee vinders van de gouden hoornen ook Friezen waren. De eerste hoorn werd in 1639 gevonden door kantklosster Kirsten Svendsdochter, een boerendochter uit Daler, die naar Tønder op weg was om haar kant aan een van de rijke kantkooplieden in de stad te verkopen. Op het weiland bij de galgenheuvel struikelde zij over de lange gouden hoorn. Bijna 100 jaar later, in 1734, was boer Erik Lassen op dezelfde plaats zijn grond aan het ploegen, toen zijn ploeg op die andere gouden hoorn, de korte met de runen, stootte.